Er is een moment in het leven van elke stripfanaat waarop je beseft dat je huis eigenlijk een bijgebouw is van je boekenkast. Precies dan komt er zo’n boek binnen dat niet vraagt om een plekje, maar het simpelweg opeist. Midden op tafel, voor iedereen zichtbaar, als een soort papieren trofee. Je gaat er niet de hele avond in zit te lezen, maar het herinnert je er bij elke achteloze bladzijde weer even aan dat strips beeldende kunst zijn. Dat is het territorium van de salontafelstrip, het stripboek dat de verhalende plicht afschudt en zich gedraagt als tentoonstelling, archief, retrospectief en visitekaartje tegelijk.
De aanleiding om dit fenomeen eens uit te benen is de nieuwste en grootste blikvanger van de Nederlandse golf: De totale Kriek. Maar wie goed kijkt ziet dat dit boek niet alleen staat. Het is onderdeel van een beweging die (heel Nederlands) pas serieus genomen werd toen er een paar prachtige hardcovers in de winkel lagen, met een prijskaartje dat voorbij de impulsaankoop gaat.
Een gewone strip heeft een motor. Er is tempo, een spanningsboog en een volgorde die het verhaal maakt. De magie zit in wat er gebeurt tussen de plaatjes. Een salontafelstrip draait dat om, die wil dat je bij één pagina al denkt: hangt dit ergens aan een muur? Het is een boek dat je niet lineair hoeft te lezen, open kunt slaan waar je wilt, kunt herbekijken zoals je naar een schilderij terugloopt en waar “even bladeren” gevaarlijk is, omdat je ineens een half uur verder bent.
Het gaat dus een keer niet om cliffhangers, maar om beeldkracht. Stijl, signatuur, en autonomie maken het verschil. En daarmee valt meteen uit te leggen waarom niet iedere tekenaar geschikt is voor dit soort boeken.
Sommige makers tekenen briljant, maar hun werk leeft van de opeenvolging. Het panelritme, de montage en de paginaopbouw bepalen alles. Haal je dat uit elkaar, dan houd je losse stenen over van een kathedraal. Prachtig met de juiste context, maar op een salontafel wil je ook dat één plaat zelfstandig kan zingen.

Een goede salontafelstripmaker heeft doorgaans een herkenbare hand. Allereerst zie je van drie meter afstand wie de maker is. De platen zijn autonoom en hebben geen toelichting nodig. Het zouden op zichzelf staande covers van tijdschriften kunnen zijn (zijn het overigens vaak ook). Als laatste moet er sprake zijn van een oeuvre dat buiten het album bestaat. Losse opdrachten, affiches, boek- en plaatomslagen en editorial werk hebben sporen in de cultuur getrokken.
Voordat we in de actualiteit duiken, moeten we terug naar de man die in Nederland het idee normaliseerde dat stripmakers ook archiefwaardige kunstenaars zijn: Peter Pontiac. Pontiac is de perfecte proto-salontafelkunstenaar, omdat hij nooit netjes binnen één hokje bleef. Strips, illustraties, muziekwereld, underground, bij hem liep alles door elkaar. Dat soort veelzijdigheid is precies wat een “totaalboek” nodig heeft. Het materiaal is op zichzelf al divers is, maar laat bij elkaar ineens een leven zien.
Zijn sleutelsteen is Rhythm, door Pontiac zelf omschreven als: “het stripwerk compleet & chronologisch (1969–2011)”. Het is een bundel die juist door die chronologie laat zien hoe een handschrift groeit, ontspoort, zich herpakt en weer een andere bocht neemt. Het boek werd ook expliciet gepositioneerd als “nooit eerder een compleet overzicht” en een kans om je verzameling compleet te maken. Dit zegt alles over de functie: canonisering in hardcover.
Pontiac maakte het in Nederland salonfähig dat een stripmaker niet alleen albums uitbrengt, maar ook op zeker moment een levenswerk in één klap. De huidige golf is in zekere zin Pontiac met betere druktechniek en strakkere marketing.

In het buitenland bestaat dit fenomeen al langer. Neem Winsor McCay’s The Complete Little Nemo. 549 pagina’s, plus een 140 pagina’s tellend geïllustreerd essay. Dit is geen boek meer maar een museumzaal die per ongeluk in je woonkamer is gevallen. Of The Fantastic Worlds of Frank Frazetta, ook uitgegeven door Taschen: 468 pagina’s. Die editie weegt zo’n 5 kilo, een boek dat je niet even op schoot neemt zonder ook je direct je core te trainen.
En dan is er het subgenre voor de echte fetisjisten, Artist’s Editions. Uitgaves zoals Jack Kirby’s New Gods: Artist’s Edition, waarin pagina’s worden gereproduceerd op basis van scans van het originele tekenwerk, met correcties, sporen, het ateliergevoel.
Hier gaat het niet meer om een “verhaal lezen”, maar om “kijken hoe de meester tekent”. In die internationale context is de Nederlandse golf bescheidener, maar inhoudelijk is het precies hetzelfde idee. Strips als cultureel object in plaats van als consumptieproduct. We duiken er verder in aan de hand van een aantal recente Nederlandse uitgaves van Concerto Books.
René Windig is een mooi beginpunt, omdat hij laat zien dat een salontafelstrip niet per se een baksteen hoeft te zijn. Logboek van een thuisblijver is klein en handzaam (21,5 × 14 cm), maar inhoudelijk een carrière-venster. Het is een selectie uit zijn viltstift‑schetsboeken van 1980 tot 2020. Hij tekent alles wat bij hem opkomt. Vogels, katten, kunstwerken, exotische culturen, Amerikaanse strips en snuisterijenverzamelingen. Maar geen reizen voor Windig. Hij pendelt tussen Amsterdam en Callantsoog en reist via boeken en tentoonstellingen. Het boek heeft bovendien voor-, tussen- en nawoorden die het logboek-karakter versterken. Je kijkt niet alleen naar tekeningen, je krijgt Windig als mens en maker cadeau.
Windig is het type tekenaar dat niet te vangen is in “hier is album X”. Zijn oeuvre bestaat óók uit observaties, schetsen, het dagelijkse tekenen als manier van leven. Dat is precies het materiaal dat in een salontafelboek tot zijn recht komt. Het zijn losse platen die je niet mist als je er tien overslaat, je pakt gewoon een andere. Windig is bovendien de perfecte illustratie van een belangrijke andere regel voor het stripsalontafelboek. Je hoeft geen epische verhaalmaker te zijn. Je moet een maker zijn met een bladerbare geest.
Als Windig de schetsmatige, losse variant is, dan is Voldongen – 40 jaar werk de kathedraal. Dit boek is expliciet opgezet als visuele biografie: 336 pagina’s zwaar hardcover. Barstensvol met oud stripwerk, fragmenten uit veertig jaar oeuvre van Peter van Dongen, illustraties voor opdrachtgevers en vooral heel veel reproducties van originelen, vaak uitvergroot, plus toelichtingen en anekdotes. Het vervlecht een chronologisch overzicht met thematische accenten, waaronder Van Dongens rol in de Nederlandse verbeelding van de koloniale geschiedenis. Dit boek bestaat omdat Van Dongen inmiddels een zeldzame positie heeft. Hij is tegelijk de man van Muizentheater en Rampokan én een tekenaar met internationale status (onder meer via Blake & Mortimer). Het mooie aan Voldongen is dat het ook het salontafelprincipe blootlegt. Je koopt dit niet alleen omdat je Van Dongen leuk vindt, maar omdat je zijn tekenwerk op een manier wilt zien die albums vaak niet bieden: groot, stilstaand en bestudeerbaar.
De aanleiding tot dit hele relaas is De totale Kriek. Als Windig een logboek is en Van Dongen een visuele biografie, dan is Kriek een carrière-collage met spierballen.
Wat zit erin? Zijn vroege werk over de merkwaardige superheld Gutsman, illustraties voor VPRO, de Volkskrant en Vrij Nederland, de omslagen voor de Nederlandse Tolkien-uitgaven bij Meulenhoff en werk uit albums als Welcome to Creek Country en Bambalam. Het was eerder verspreid over uiteenlopende (gedrukte) media en dus niet eerder samen te zien.
Concerto doet er niet geheimzinnig over en positioneert het boek expliciet in de slipstream van Voldongen. In navolging van Van Dongen is het nu Kriek’s beurt voor een rijk overzicht. Dit is dus niet alleen een Kriek-feest, maar ook een uitgeversstrategie. Concerto bouwt gestaag en in bescheidenheid aan een reeks van Nederlandse grootheden in artbookvorm.
Kriek is voor dit type boek misschien wel nóg geschikter dan Van Dongen om een simpele reden. Kriek heeft die crossover van nature al in zijn DNA. Zijn werk leeft niet alleen in albums, maar ook in de wereld van muziek, literatuur, affiches en omslagen. Het is een oeuvre dat al jaren in losse platen rondzwerft, wachtend om eindelijk eens netjes (of juist lekker chaotisch) bij elkaar gezet te worden. Dit is precies wat een salontafelstrip moet doen, je krijgt niet “Kriek’s beste verhalen”, maar “Kriek als landschap”.
Windig, Van Dongen en Kriek slagen elk om een andere reden. Windig is de man van de autonome schets. Zijn werk heeft geen plot nodig; het is de blik. Van Dongen is daarentegen de realist met museumkwaliteit. Zijn lijnen nodigen uit tot bestuderen op groot formaat, met context en commentaar. En Kriek, hij is de veelzijdige platenmaker bij uitstek. Met strips, illustraties en coverkunst is zijn oeuvre is al modulair, dus het laat zich perfect bundelen. De gemene deler is dat je ze open kunt slaan op willekeurige pagina’s en toch meteen thuis bent.
We doen soms cynisch over dure hardcovers (“kijk mij eens cultureel zijn”), maar hier zit iets oprechts achter. Dit zijn boeken die bewijzen dat stripmakers een oeuvre hebben dat het waard is om te bewaren en te tonen.
Want één ding is zeker: met De totale Kriek in huis blijft er op je tafel nog precies genoeg ruimte over voor een kop koffie, als je hem op de vloer zet.
Erik Kriek – De totale Kriek. Concerto books. 488 pagina’s hardcover. €49,99
Peter van Dongen – Voldongen. Concerto books. 336 pagina’s hardcover. €49,99
Rene Windig – Logboek van een thuisblijver. Concerto books. 180 pagina’s hardcover. €34,99






