Strips

Waar je ook gaat is een liefdesverklaring aan mensen die verdwijnen

Er bestaat een specifiek soort ongemak dat je voelt als je een boek leest over iets wat je liever op afstand houdt. Alzheimer is zo’n onderwerp. Iedereen kent het, velen hebben er iemand aan verloren, en toch kijken de meeste mensen er pas naar als ze er niet meer omheen kunnen. Étienne Davodeau heeft er zijn loopbaan op gebouwd dat hij precies die blinde vlekken opzoekt. Hij maakte stripjournalistiek over wijnboeren, kernenergie, politiek activisme. Dit doet hij altijd vanuit de overtuiging dat begrip begint bij aanwezigheid, bij het meegaan, meekijken en meeluisteren. Waar je ook gaat is zijn meest persoonlijke toepassing van die methode. Tegelijkertijd is het de meest gecompliceerde.

De aanleiding is eenvoudig. Zijn partner Françoise Roy begeleidt al jaren mensen met cognitieve aandoeningen, zoals Alzheimer. Als gespecialiseerde verpleegkundige komt ze thuis bij de mensen en begeleidt ze hen (en hun naasten) op de moeilijkste momenten. Davodeau wilde al lang een boek maken over haar werk. Haar reactie was aanvankelijk categorisch afhoudend. Het zou onmogelijk zijn om dit moeilijke onderwerp te verstrippen. De relatie die zij maandenlang met haar patiënten opbouwt is te fragiel om een observator toe te laten, zelfs eentje met hele goede bedoelingen. Uiteindelijk vonden ze een compromis. Françoise vertelt, Davodeau luistert, tekent en reconstrueert. Hij was er zelden zelf bij. De decors en de gezichten zijn aangepast om de anonimiteit van de patiënten te beschermen.

Dat is een ongebruikelijke positie voor Davodeau, die zijn non-fictie werk altijd maakte vanuit directe participatie. In De onwetenden wisselde hij van rol met een wijnboer en verkenden ze elkaars wereld. Hier is hij aangewezen op de reconstructie van andermans ervaringen die hij tweedehands ontvangt. Het is een methodologische beperking die hij eerlijk inbouwt in het boek zelf. De scènes thuis aan tafel, waar hij Françoise bevraagt terwijl zij soms aarzelend, soms geëmotioneerd terugkeert na haar werkdag, zijn even aanwezig als de reconstructies van die werkdagen zelf. Die tweesporigheid is de slimste keuze in het boek. Het is een gebaar van eerlijkheid.

Davodeau laat zien hoe Françoise haar patiënten begeleidt. Hij tekent de kleine overwinningen en grote nederlagen, de administratieve obstakels, de financiële gevolgen voor families, de uitputting van mantelzorgers, het perspectief van de instelling en uiteindelijk de dood. In dit alles is de toon het meest opvallend. Sentiment als medelijden wordt snel opzij gezet en het lijden wordt niet tot iets groters gemaakt dan het is. Davodeau schrijft over Alzheimer zoals iemand schrijft die er te dicht op zit om het te dramatiseren. Dat is uitmuntend gedaan.

Visueel is het boek herkenbaar Davodeau. Zijn warme, directe lijnvoering met realistische figuren hebben een expressiviteit die nooit overdrijft. De composities laten ons lezers altijd oriënteren zonder nadrukkelijk te sturen. Het is tekenwerk in dienst van het verhaal, volledig transparant. Dat wil zeggen, je ziet het nauwelijks terwijl je leest. Dat is zowel een kwaliteit als een beperking. Er zijn momenten waarop de beeldtaal meer had kunnen dragen dan ze nu doet. De momenten van verwarring, van tijdsverlies, van de binnenwereld van de patiënten, worden in woorden beschreven terwijl ze visueel verteld hadden kunnen worden. Davodeau kiest voor de veilige kant. Vermoedelijk ook om de gevoeligheden bij zijn vrouw te respecteren, maar toch.

En daarin schuilt ook het voornaamste bezwaar. Françoise wordt in het boek afgebeeld als iemand die zelden twijfelt, wier woorden altijd op de juiste plek vallen, en die wanneer het niet werkt de oorzaak altijd buiten zichzelf vindt. Dat is wellicht accuraat, maar het is ook het patroon dat Davodeau vaker vertoont. Zijn hoofdpersonen worden bewonderenswaardig, maar daardoor minder gewoon menselijk. Het echte gewicht van het vak – de slijtage, de twijfel, de dagen waarop niets werkt en niemand weet waarom – blijft buiten beeld..

Toch zou het oneerlijk zijn om daar te lang bij stil te staan. Waar je ook gaat doet iets wat strips zelden doen, het maakt een wereld toegankelijk die de meeste mensen actief mijden. Het is een boek dat je helpt begrijpen hoe Alzheimer er van binnenuit uitziet. Niet de ziekte zelf, maar de menselijke omgeving eromheen. De kleine rituelen waarmee Françoise patiënten terugbrengt naar zichzelf. De manier waarop herinnering en identiteit met elkaar verweven zijn en hoe ze allebei kunnen verdwijnen zonder dat iemand de schuld draagt.

Davodeau is de meester van het documentaire stripverhaal in Frankrijk en dat meesterschap is hier aanwezig op elke pagina. Maar voor het eerst lijkt zijn methode hem licht in de weg te zitten. Hij zit er te dicht op om er volledig vrij over te schrijven en weet dat zelf ook. Het resultaat is een boek dat meer ontroert dan het bevraagt. Davodeau heeft daar bewust voor gekozen en het is de juiste keuze. Alzheimer verdient getuigenis en hoeft hier niet geanalyseerd. En dat levert hij.

Étienne Davodeau – Waar je ook gaat (Reis door het land van het haperend geheugen) . Concerto. 160 pagina’s. hardcover. €29,99