De barbecue mag stilaan terug het tuinhuis in, het zand zit nog tussen de tenen en de schoolboeken liggen alweer dreigend op het aanrecht te blinken. De zomer trekt zijn koffers dicht, maar hier ten huize draait de stripmachine gewoon op volle toeren door. Terwijl de dagen merkbaar krimpen, hebben wij ons door een stapel vers drukwerk heengevreten. We serveren u deze maand een bont allegaartje van sociopathische weesjongens in het Wilde Westen en verzopen Franse dwarsliggers tot gewapende cyborg-deernes en rabiate cartoonisten uit 1916. Sommige albums verdienen een gouden randje, andere gebruiken we liever om de wankele tuintafel een laatste dienst te bewijzen. Schenk uzelf een stevige troostdrank in tegen de naderende sleur en schuif aan voor de ongezouten waarheid.
Het watertijdperk 1 – Het sterrenbeeld van de Grote Hond (Lauwert): Haast en spoed is zelden goed en Benjamin Flao heeft die spreuk klaarblijkelijk boven zijn tekentafel hangen. Vier jaar hebben we met onze voeten in het water moeten wachten tot Lauwert dit Franse kleinood naar onze contreien haalde. In dit eerste deel volgen we moeder Jeanne en haar twee zonen in een overstroomd, totalitair toekomstfrankrijk. De massa schikt zich gedwee in betonnen opvangkampen, maar deze dwarsliggers kiezen het ruime sop op zoek naar een snipper vrijheid. De broers zijn een soort post-apocalyptische Asterix en Obelix. De ene een driftige spriet, de andere een logge kolos. De echte ster is een ronddolende blauwe hond die het collectieve dierengeheugen meesleurt in verbluffend poëtische aquarelvisioenen. Er is soms (vaak) geen touw aan vast te knopen, maar wat klinkt het heerlijk. Wie strakke Hollywood-logica of een snel schietfestijn zoekt, zakt geheid kopje-onder in de warrige zijpaden. Wie echter bereid is om zich te laten meedrijven op Flao’s dromerige, magnifieke penseelstreken, haalt puur goud in huis.
Travis 16 – De vrouw die te veel wist (Daedalus): Dat titelheld Travis alweer met vakantie is, beschouwen we inmiddels maar als een artistieke keuze. In zijn plaats moeten Vlad Nyrki en Pacman de meubelen redden. Ze bewaken zangeres Lady M., een ‘skinfluencer’ die via bloedcontaminatie dagelijks sappige data lekt over multinational Transgenic, terwijl huurdoder Miss Thundercat op het vinkentouw zit. Duval brengt de intrige met de souplesse van een veteraan en het tempo ligt aangenaam hoog, maar Quet verpest het feestje door werkelijk ál zijn vrouwelijke personages exact hetzelfde gezicht en kaakje mee te geven. Achtergronden zijn hem blijkbaar te veel gevraagd. Tel daar bij op dat de crossover met Carmen McCallum inmiddels smacht om een handleiding en je weet wat je krijgt: prima voer voor de diehards, maar leken lezers hopen beter dat Travis snel weer op kantoor is.
Sherlock Holmes Society 6: Het veld der mogelijkheden (Daedalus): Deze zesdelige uitloper van de 1800-collectie eindigt met een regelrechte tragedie van de Victoriaanse hoogmoed. De echte vijand blijkt geen buitenlands monster of anoniem syndicaat, maar het eigen vlees en bloed van de held. Zoon Liam wil de imperialistische tirannie van het ‘Groot Koninkrijk’ in de kiem smoren door Londen op te blazen. Dat levert een fascinerend moreel moeras op. Waar broer Mycroft de staat koste wat het kost wil beschermen en instinctief greep krijgt op de gebeurtenissen, staat Sherlock aan de zijlijn als een gebroken man die moet toezien hoe zijn intellectuele erfenis is ontspoord in nihilistisch fanatisme. De beklemmende platen van mistige Londense steegjes, kille musea en industriële dokken geven dit slot een broeierige lading. Vergeet dat ‘pijp-en-deken’-einde waarin het recht zegeviert, het is een bitter en volwassen eindpunt van een van de meest doordachte stripexperimenten rond de iconische detective.
Karolus Magnus – De Barbarenkeizer 3: Nederlaag in Hispania (Daedalus): Toen we in het eerste deel zagen hoe stoere ridders al brullend hun eigen naam schreeuwden tijdens het koppensnellen, wisten we al dat historische nuance in deze reeks ondergeschikt is aan spierballen en strijdkreten. In dit afsluitende deel van de Hispania-trilogie leidt die ‘blockbuster’-aanpak warempel tot de beroemdste Blamage uit de carrière van Karel de Grote. Zijn Spaanse expeditie loopt uit op een grandioze mislukking. De belegering van Saragossa vaart op de klippen en de terugtocht verandert in een bloedbad, wanneer graaf Roelant in de smalle passen van Roncesvalles vakkundig wordt afgeslacht. Grafisch is die historische valstrik adembenemend; de benauwde sfeer van de Pyreneeën en het chaotische hakwerk spatten van de pagina’s. Het scenario vliegt echter zo gehaast door de politieke intriges heen dat de historische context behoorlijk versnipperd raakt. Een uiterst vermakelijk actiespektakel dat z’n tekortkomingen compenseert met visueel geweld.
Orks & Goblins 24 – Orouna (Daedalus): Voor het honderdste album in de overbevolkte Aquilon-carrousel vond opperhoofd Jean-Luc Istin dat hij zelf maar weer eens in de pen moest kruipen. Wonder boven wonder levert dat een verrassend genietbaar feestnummer op. Hoofdrolspeler Orouna is een gênant aantrekkelijke ork – smaken verschillen, wij oordelen heus niet – met een indrukwekkend stel tatoeages en een vuist die geen aankondiging nodig heeft. Istin geeft haar zowaar zoiets als een emotionele ziel. Ze riskeert haar hachje voor haar frêle elfin-adoptiedochter Elūnn. Een ork met een warm moederhart, het is een mooie twist die het gebruikelijke groenhuiden-hakwerk naar een hoger niveau tilt. Sébastien Grenier tekent de pannen van het dak, al is de opbouw van het verleden zo langdradig dat de wraakfinale in drie gehaaste pagina’s wordt afgeserveerd. Pikant detail: Orouna start haar avontuur vanuit de harem van een verzamelzieke oger die de mooiste dames van ‘oude rassen’ opsluit als levend bezit. Wat u met die kink-informatie doet, moet u zelf weten.
De Dissidenten (Concerto Books): Een autoritaire president die de grondwet als voddenpapier gebruikt, knokploegen in de straten, raciale explosies en een pers die het etiket staatsvijand opgeplakt krijgt. Nee, we hebben het niet over het journaal van gisterenavond, maar over Amerika anno 1916. Het tijdschrift The Masses vocht toen met de scherpste inkt tegen de oorlogshitserij van Woodrow Wilson, met cartoonisten die voor hun dwarse prenten prompt twintig jaar cel wegens ‘opruiing’ aan hun broek kregen. Dit monumentale relaas (344 bladzijden zenuwachtig, vlijmscherp arceerwerk) toont waarom potloodpunten despoten altijd al de stuipen op het lijf hebben gejaagd. Het personagebestand is bij wijlen een wespennest waarin ge even de draad kwijtraakt, maar de furie en de historische urgentie vlammen zo hard van het papier dat het pijn doet aan de ogen. Een ronduit verpletterend meesterwerk over de prijs van vrije meningsuiting. Al was het maar om te beseffen hoe gevaarlijk dicht we vandaag weer bij diezelfde afgrond staan te balanceren. Verplichte kost. Lees hier een andere, uitgebreide recensie.
De onderzoeken van Enola Holmes 8 – De elegante ontsnapping (Diedeldus/Daedalus): Het jongste zusje van Sherlock Holmes mag ondertussen al voor de achtste keer haar stoute stappers aantrekken om aan de benauwde Victoriaanse etiquette te ontsnappen. Deze keer helpt ze een jonge adellijke deerne die haar goudgerande kooi ontvlucht is, terwijl grote broer Sherlock nog steeds als een ambetante heggenmus achter haar veren zit. Natuurlijk, inhoudelijk tapt dit album uit precies hetzelfde vaatje als de vorige zeven delen. De plot is zo dun als een plakje Maaslander en de “verrassende” wendingen zie je al van op drie mijl afstand opdoemen. Maar verdulleme, wat kan Serena Blasco tekenen. Haar dromerige aquarellen zijn om duimen en vingers bij af te likken en tillen deze brave chicklit moeiteloos boven de grijze middenmoot uit. Leuk voer voor uw puberende tienerdochter, maar voor het betere speurwerk kloppen wij toch liever elders aan.
Rebis (Lauwert): Wie in een middeleeuws Italiaans hol wordt geboren met sneeuwwit haar op krek dezelf de dag dat het dorp twee lesbische ‘heksen’ op de brandstapel kiepert, weet dat zijn wieg niet meteen in een warm badje stond. Pa schopt Martino met een rotvaart het bos in, waar de kleine albino wordt opgevist door de heks die de vlammenzee wist te ontglippen. Hij transformeert tot Rebis, het alchemistische concept van de twee zielen in één lijf. Twee jonge Italiaanse schoolvriendinnen debuteerden hiermee en zagen hun geesteskind prompt overladen met ronkende lofzangen tot in New York toe. De uitgeverij smijt de hippe vergelijking met Nimona er met de grove borstel bij om het aan Gen-Z te slijten, maar trap daar niet in: dit is geen flitsend popcorngrapje, maar een loodzware, bloedmooie fabel over gender en verstoting. Het grafische werk schurkt aan tegen renaissanceschilderkunst en de sfeervolle schaduwen druipen van het papier. Wel zit het personagewerk er soms zo academisch strak in dat de echte warmte wat verloren gaat. Desalniettemin een wonderschoon en eigenzinnig sprookje voor wie de dorpsmentaliteit liever vandaag dan morgen in de fik steekt. Lees hier een andere, uitgebreide recensie.
Cyborgs 2 – Steel (Tzooz): De fabriek van conceptkoning Jean-Luc Istin draait weer op volle toeren. Verzamel vijf deernes met mechanische ledematen in evenveel albums en laat ze daarna samen opdraven. Het is een beproefde superheldenteamformule die hij hier consequent uitvoert. Na het eerste deel waren we hier ten huize nochtans klaar om de handdoek in de ring te gooien; een puberend moordmachientje in een veredelde onderbroek met de woordenschat van een dokwerker, we kregen er plaatsvervangende schaamte van. Gelukkig pakt dit tweede luik de zaken volwassener aan. Sam MacStone overleeft als enige de aanslag op haar politieke moeder. Ze wordt opgelapt met wat kilo’s titanium en zoekt met een stalen smoel naar de daders in een verkiezingsstrijd vol cynische machtswellustelingen. De zompige puber-erotiek heeft plaatsgemaakt voor een vinnige politieke thriller die de cyberpunk-clichés tenminste met klasse serveert. Uw wereldbeeld wordt hierdoor niet wankel geschud, maar we krijgen strak amusement zonder schaamrood op de kaken. Een stevige verbetering op deel één.
De Meester-Inquisiteurs 14 – Shenkaèl (Daedalus): Veertien delen ver is deze conceptreeks ondertussen en het recept blijft ongewijzigd. Er is een nieuw inquisiteur-elfkoppel, een afgelegen eiland en een afgeronde zaak. Dit keer trekt het duo naar Viryon, waar opstandige elfen een magiewerend artefact opgraven. De missie loopt catastrofaal af wanneer inquisiteur Shenkaèl vijftig jaar lang in een martelkerker belandt. Wanneer zijn elfenpartner hem eindelijk bevrijdt, is er van de vrome ordehandhaver niks meer over. Nou ja, een getraumatiseerd wrak met doorgedraaide krachten, zinnend op bloedige wraak, dat wel. Het scenario hakt het verhaal strak in stukken door om de twee pagina’s tussen heden en verleden te flitsen. Dat geeft ritme, al voelt het heen-en-weergespring op den duur wat mechanisch. Bovendien verbergt die flitsende montage niet dat de formule slijtage vertoont. Het plot herkauwt de bekende ingrediënten zoals de dissidente sekte en de verborgen enclave. Daar bovenop laat het de cruciale ontknoping te vroeg uit de zak kijken. Geen absolute hoogvlieger dus, wel een kordate veertiende stap in een reeks die langzaam naar haar eindstation kachelt.
De Man die Bomen Plantte (Standaard): Een kluizenaar die decennialang zwijgend honderdduizenden eikels in de dorre Provençaalse grond stampt tot er een reusachtig woud ontkiemt. Jean Giono schreef het in 1953 bij elkaar voor een Reader’s Digest-prijskamp en vertikte het vervolgens halsstarrig om toe te geven dat zijn herder pure fictie was. De halve wereld slikte het ecologische wonderverhaal als evangelie en net die gewiekste mythomanie geeft de fabel zijn kracht. Waar Frédéric Back er ooit een loodzware, met een Oscar bekroonde animatieklassieker van kleide, kiest deze adaptatie voor een opvallend speelse, zwierige toets in zonovergoten lavendel- en aardetinten. Literatuurpausen die struikelen over het schrappen in Giono’s heilige proza missen het punt: dit is een zeldzaam lichte ode aan stille halsstarrigheid in tijden van wereldbranden. Een verademing tussen al het hedendaagse, drammerige klimaatgeruzie door, al was het maar om te zien hoe één man de wereld redt zonder ooit een subsidieaanvraag in te vullen.
Carmen McCallum 16 – Code Rood (Daedalus): Na een nucleaire oplawaai in Londen ligt de Europese economie op z’n gat en staat de terreurbarometer op bloedrood. Onze onverwoestbare heldin Carmen moet samen met Pacman (tsja, we weten het…) een ontspoorde kunstmatige intelligentie opsporen in een geheime bunker. De wrange wending is dat die AI zijn eigen bestaan zo gehad heeft, dat hij niets liever wil dan op de zelfvernietigingsknop drukken. Probleem, want dat trekt meteen de halve wereldstroomvoorziening mee het moeras in. Met dit zestiende deel breidt de reeks een klinkend en verrassend emotioneel slotakkoord aan haar vijfde cyclus. Dat het origineel al een goeie tien jaar oud is, levert een smakelijk nostalgisch bijsmaakje op. De visie van toen op de futuristische bolides van 2056 oogt ondertussen heerlijk kneuterig. Maar hé, de tekenaars hadden in 2016 ook geen glazen bol. Visueel blijft het spierbalgedrag verder vlotjes overeind, al willen de personages in het heetst van de strijd al eens veranderen in een houten Klaas. Echte cyberpunk-actie die precies levert waar onze trouwe verzamelaars voor tekenen. Vier deeltjes nog tot het allerlaatste doek valt.
Pump 1 – Zo’n aardige jongen (Silvester): Wie dacht dat de moderne western nog altijd draait om stoffige moraalridders met een revolver en een geweten, mag zijn hoed opeten. Wanneer een diligence in Arizona aan flarden wordt geschoten, telt de enige overlevende niet zijn zegeningen maar de zakken van een dode advocaat, pikt diens identiteit en stapt als ‘Edward G. Pump’ het naburige gehucht binnen. De sheriff haalt de weesjongen vol medelijden in huis, waarna Eddie met het gladde gezicht van een koorknaap en de ziel van een ratelslang diens dochter, geld en hele stadje inpalmt. Dat het personage gemodelleerd is naar Friedrich Trump – de stamvader van de blonde bulldozer, die fortuin maakte door goudzoekers te voorzien van drank, bedden en lichte zeden – maakt dit geen heldenepos, maar een gitzwarte parabel over hoe meedogenloze narcisten aan de macht komen via de naïviteit van brave burgers. Een ijskoud handboek in opportunisme, vermomd als western. Eind oktober volgt deel twee; wij zitten al klaar voor de volgende oplichterstruc.






