Wie De waterlanders vluchtig openslaat denkt een vrolijk kinderboek over natte voeten vast te hebben. De pagina’s staan vol bolle snoeten, speelse lijnen en felgele oliejassen. Toch is die kinderlijke aanblik een gemene valstrik. Vanistendael voert een Brusselse striptekenares op die ontdekt dat haar talent volstrekt waardeloos is geworden zodra heel Europa onder water staat
Het verhaal begint theatraal. Een oude vrouw stapt vanachter een dubbel toneelgordijn naar voren en schetst de staat van de mensheid in 2071. Ze verhaalt over branden, overstromingen, verzwolgen dorpen en de grote volksverhuizing naar het noorden. In deze nieuwe tijd heeft de aarde het vergeten verbond tussen boom en mens hersteld. Met die sprookjesachtige proloog zet Vanistendael iedereen op het verkeerde been. In plaats van een paniekerig sciencefictionverhaal over de apocalyps brengt Vanistendael de totale verwoesting van de aarde als een bedeesd sprookje voor het slapengaan.
Vervolgens landt de vertelling hard op aarde. Vlaanderen heeft twaalf overstromingen overleefd. De dertiende keer vaagt het water na de kust en de kunststeden ook Brussel weg. De tekenares Beth vlucht samen met haar kleinzoon Tommie en haar hoogbejaarde moeder, terwijl Tommies ouders spoorloos verdwenen zijn. De titel draagt de dubbele lading van tranen en terreur. De jongen kijkt naar de zee en ziet uitsluitend het monster dat zijn ouders heeft opgeslokt.
Bij de immigratiedienst heeft Beth geluk. Boven de poolcirkel, in de nederzetting Melbu, zoekt men nog een schoenmaker. Naar beeldverhalen kraait in 2071 geen haan meer. Beth liegt zichzelf een nieuw vak aan, hoewel ze nog geen veter kan vervangen. Een paar deuren verder wacht Sameer, een Egyptische vluchteling die het schoenmakersambacht tot in de puntjes beheerst. Hij zit al maanden te verpieteren. Omdat hij van buiten de Unie komt, blijft hij uitgesloten van de vlees- en vispas die Europese ontheemden vanzelfsprekend ontvangen. De Vlaamse bedrieger krijgt onderdak en rantsoenbonnen, terwijl de vakman uit Caïro aan de zijlijn moet toekijken.
Daarmee herneemt Vanistendael het motief uit haar debuut De maagd en de neger, waarin ze de bureaucratische willekeur van de vreemdelingendienst ontleedde rond haar relatie met een Togolese man. Bijna twee decennia later stuurt ze haar eigen landgenoten door diezelfde vernederende ambtelijke molen. Zelfs in een ondergelopen wereld weegt een Europees document zwaarder dan vakmanschap. Het decor is verschoven, maar de hiërarchie blijft intact.
Melbu functioneert als een Europees ‘herwilderingsgebied’ met rigide leefregels. Wie de status van werkende klimaatontheemde verwerft, krijgt een woning, een longboom en verplicht vrijwilligerswerk toebedeeld. Privéwagens en plastic zijn verbannen. Lichtbronnen boven de 800 lumen en geluiden luider dan 50 decibel zijn taboe. Na zonsondergang verstrekt de overheid elk huishouden exact één lampje van 200 lumen. Jacht en visserij zijn strikt verboden om het ecosysteem te beschermen. Overtreders wacht deportatie naar de verzengende woestijn van Córdoba. Het zonovergoten Andalusië waar hedendaagse pensionado’s overwinteren, dient hier als strafkamp.
Die minutieuze details geven het boek reliëf. Vanistendael rekent haar toekomstvisie tot op de lumen door, waardoor de regels op papier verraderlijk redelijk klinken. Het is de droom van menig hedendaags klimaatactivist, al verandert dat beleid ter plekke in een beklemmende dwangbuis. De longboom belichaamt die spagaat. Het gewas met de twee groene longen symboliseert de vrede met de natuur, maar fungeert vooral als genadeloze controletoets. Zodra het boompje verdort, volgt verbanning. Ondertussen regelen kleine drones de kille administratie en houden functionarissen in groene pakken elke vorm van menselijke toenadering op veilige afstand.
Tegenover die kille machinerie plaatst Vanistendael een warme, koppige veerkracht. Overgrootmoeder bakt stapels wafels omdat er geen brood voorhanden is en koopt daarmee de sympathie van de buurt. Ze vindt op haar negentigste een nieuwe liefde in Odd, een stokoude Noor die het gezin meeneemt over rotsen en langs zeehondenkolonies. Tommie ontmoet op zijn beurt een Noorse trol in het veenmos, waarbij het verhaal wijselijk openlaat of het wezen echt is. Die lichte toetsen voorkomen dat het boek verzandt in somberheid, al maakt het de plotselinge vlagen van rouw juist scherper voelbaar.
De ogenschijnlijk simpele tekenstijl (schijn bedriegt!) spant een valstrik voor de lezer. De natuur rond Melbu oogt reusachtig, met massieve bergkammen die over de bladzijden denderen. Iedereen schuilt permanent in rubberlaarzen en oliejassen, want de regen houdt pas op wanneer Beth mentaal bezwijkt. Wanneer de rouw om haar dochter haar definitief sloopt, verruwt de tekening en plenst het water nog woedender over het papier. Pas rond pagina tweehonderd breekt voor een kort moment de zon door. Het licht voelt bijna fysiek weldadig na zoveel pagina’s doorweekte wanhoop. Het proces eist geduld, want Beth ligt dagen aaneen bewegingloos in bed, terwijl Sameer en de dorpsonderwijzer Thomas zich over Tommie ontfermen en de jongen stap voor stap het water in lokken, een mooie symboliek voor zijn herstel van de opgelopen trauma’s.
Beth begint weer te tekenen en zodra haar potlood weer over het papier schuift, begint de omgeving te kantelen. Haar portretten hangen al snel in de schoenmakerij en buren dringen aan om haar werk te kopen. Uiteindelijk willen zelfs de gezagsdragers een beeltenis van zichzelf. De afgedankte kunst fungeert plotseling als waardevol ruilmiddel. Beth weet haar stervende longboom te vervangen en dwingt een officiële werkchip af voor Sameer, die eindelijk erkend wordt als de ware schoenmaker van het dorp. Hier toont het verhaal zich wellicht iets te vergevingsgezind. Het kille apparaat dat honderden pagina’s lang ongenaakbaar bleek, smelt wel erg vlotjes weg voor de charmes van een fraaie potloodschets.
Toch raakt die ontknoping een diepere realiteit. In oktober 2017 bezochten Judith Vanistendael en Aimée de Jongh samen de Griekse opvangkampen op Lesbos om met het schetsboek vast te leggen wat camera’s niet mochten tonen. Met De Jonghs bewerking van Samir vormt De waterlanders een intrigerend tweeluik. Waar De Jongh de huidige noodkreet aan de Europese grenzen documenteert, zet Vanistendael de westerse toeschouwer zelf in het natte opvangkamp. Door de lezer via een Brussels gezin mee te zuigen in het asielcircus, legt ze haarfijn de selectieve empathie van het publiek bloot. Het maakt De waterlanders tot een zeldzaam rijke vertelling die bewijst dat de meest confronterende spiegels soms verscholen liggen achter zachte potloodlijnen en waterige aquarel.
Judith Vanistendael – De waterlanders. Oogachtend. 272 pagina’s. softcover. € 34,00






