Fijne junimaand, u hoort ons niet klagen. We lazen weer een flinke voorraad strips. Niet altijd de beste manier om je tijd door te brengen, maar vaak wel – en dat delen we graag met u. Daarom, zoals u van ons gewend bent, weer een behoorlijke Kort van stof, in sneltreinvaart en volle overtuiging gebracht.
Dinodyssee 1 – Vrienden voor altijd (Diedeldus): Velo is een velociraptor met één klein probleempje: hij is doodsbang voor muggen. Zijn familie verstootte hem en dus moet hij op avontuur. Ondertussen dreigt een regen van vuurkogels het einde van alle dinosauriërs in te luiden (geen haan die er verder naar kraait vooralsnog). Scenarist Gaët’s is normaal actief in het aanzienlijk bloederigere RIP en bewijst hier dat hij ook een kalmere hand heeft. Tekeningen van Goubely zijn kleurrijk en vol expressie. Het verhaal komt in dit eerste deel nauwelijks van zijn plaats, want Velo en zijn vrienden zijn vooral druk met het verslaan van de verschrikkelijke tyrannosaurus. Maar nu ze de woeste vuurberg hebben bereikt, zal het voor de zes- tot achtjarige doelgroep in deel 2 vast genieten worden. Perfect cadeau voor de kleinste stripfanaat in uw leven.
De buitengewone oversteek van Julius Weltschmerz (Lauwert): Weltschmertz is een klassieke stripdetective, type Jerome Bloks maar dan anno 1930. Woonachtig in de Chinese wijk in Hamburg lost hij zaakjes op samen met zijn Chinese partner Chang. Dan krijgt hij een vreemde opdracht die speelt op het passagiersschip SS Freiheit. De lezer heeft honderd vragen, Julius wordt onderweg ook niet veel wijzer. En toch, toen we het boek dichtsloegen, zaten we even voor ons uit te staren, over de eindeloze velden waarover we nu eenmaal uitkijken, gezeten in onze leesstoel. Dit is een mooi verhaal, een bijzonder boek, ook al moeten we ons door een vreemde vertaling ploegen: “u hoeft maar één iets te weten, de zaak zal naar u komen wanneer ze plaatsgrijpt”. Al zit in dat malle zinnetje wel de kern van de zaak vervat. Dit is zo’n boek dat je misschien even oppakt maar weer teruglegt, en dat zou jammer zijn: dit verhaal verdient de lezer, en omgekeerd.
Orks & Goblins (Oorlogen van Arran) 23 – Akrith (Daedalus): Akrith is een amnesisch goblintje dat als rondtrekkende verteller zijn brood verdient. Schattig. Helaas voor hem brak net de Oorlog van Arran uit, waarbij mensen besloten dat groenkonten voortaan beter dood dan levend zijn. Wanneer de soldaten van heer Galduss hem in de kerker gooien en beginnen te martelen, herinnert Akrith zich echter wie en vooral wat hij vroeger was. Pech voor de soldaten. De parallellen met de Holocaust zijn ook in dit deel dik aanwezig. De reeks blijft wat ze altijd was, te weten een prima fantasy voor wie van namen als Gor’Khal houdt en niet allergisch is aan grote tekstkaders. U weet intussen of u dat bent.
Kurusan 3 – De zwarte samoerai (Daedalus): Kurusan heeft eindelijk alles. Gezag, een Japanse vrouw en de bescherming van zijn meester Nobunaga. Dat kan uiteraard niet duren. Want Nobunaga gedraagt zich steeds vaker als een complete maniak en op de slagvelden tegen Takeda Shingen begint Kurusan zich af te vragen of trouw nu eens een deugd of een probleem is. De titel – Kaishakunin, de man die bij een harakiri het hoofd afhakt – beantwoordt die vraag op zijn eigen vriendelijke manier. Wie de politieke kaart van het zestiende-eeuwse Japan niet uit het hoofd kent, raakt hier soms verloren. Maar dat is precies waar Google voor dient.
Groeipijn (Concerto Books): Wie dagelijks de Volkskrant openslaat weet dat Peter de Wit één van de scherpste pennen van de Lage Landen heeft. In dit nieuwe cartoonesk illustratiealbum, opvolger van Doodleuk, zet hij die pen in voor een onderwerp dat iets minder dodelijk, maar minstens zo universeel is: kinderen en hun ouders en wat er daartussenin schuurt. De humor is iets milder dan de Sigmund-fans gewend zijn, maar minder cynisch betekent hier zeker niet minder raak. De Wit tekent met kroontjespen, potlood, stift, op duur papier of op een velletje A4. Elk beeld krijgt de techniek die het verdient en in twee à drie streken legt hij een gezichtsuitdrukking vast die een volledig opvoedkundig drama samenvat. Met pubers hier ten huize herkenden we situaties die we liever vergeten waren en lachten we om dingen die de dag voordien nog pijnlijk waren. Dit boek geeft de groeipijn even een plaatsje buiten jezelf.
De lange mars van Lucky Luke (Lucky comics): dat iedereen en zijn moeder met de nalatenschap van Morris aan de haal mag, pakt soms goed uit. Soms ook heel beroerd. Matthieu Bonhomme hoort bij de eerste categorie. Zijn verhalen, hij maakte er intussen drie, zijn genoeg eigen en leunen niet zo op de oer-Luke. Dus geen belegen grapjes, geen pratende Jolly Jumper en geen al te onbehoorlijke westernclichés. Bonhomme houdt eigenlijk alleen wat uiterlijke kenmerken overeind, want Luke is in dit album bijvoorbeeld behoorlijk emo voor zijn doen. Omdat hij met een kind op weg gaat, heeft het verhaal iets weg van De ontembaren, de Lucky Luke door… van Blutch uit 2023 (al was dat hilarisch grappig). Het kind hier is een erfgenaam van een rijke industrieel die door toedoen van diens broer moet vluchten en met zijn moeder bij de indianen belandt. Aan Luke om het joch naar Canada te brengen. Met 77 pagina’s is het een behoorlijk lange mars. Je kunt je afvragen of het nodig was om alles zo uit te rekken, vooral omdat het einde er bekaaid vanaf komt. Dat gaat van rap-rap en ‘a long way from home’.
Madeleine, verzetsstrijdster 3 – Pasta met tomatensaus (Daedalus): We schreven al dat deze reeks over de jonge Madeleine Riffaud, die op haar zeventiende de Résistance binnenstapte en een nazi-officier liquideerde, tot het beste behoort wat Daedalus uitgeeft. We herhalen dat hier zonder blikken of blozen. In dit derde en laatste deel begint het op 24 juli 1944 echt lelijk te worden voor Madeleine. Gevangenissen, de Gestapo, marteling, ter dood veroordeling, deportatietrein. Dat alles wordt door Morvan en tekenaar Bertail – die naar eigen zeggen moeite had met sommige pagina’s, wat u gerust mag geloven – verteld zonder een gram traangas. Zonder gezwollen dramatiek, met de koele precisie van een vrouw die het zelf heeft meegemaakt en er tachtig jaar later nog glashelder over vertelt. Wat betreft de titel, wij verklappen niets, maar we beloven u dat u pasta met tomatensaus nooit meer op dezelfde manier zult bekijken. Magistraal boek over een magistrale vrouw.
The Nincompoopje (Concerto): De Duitser Christophe Mueller verraste vijf jaar geleden met de bundel Verhalen van een man met smaak. Hij is niet ’s werelds snelste tekenaar, want zijn nieuwste werk is het slechts 32 pagina’s tellende The Nincompoopje: een verzameling korte verhalen en aanzetten daartoe. Maar het vakmanschap van Mueller maakt het lange wachten en de bescheiden omvang van deze luxe uitgegeven comic alleszins goed. Verzorgd tekenwerk dat herinneringen oproept aan dat van Chris Ware met een vleugje Robert Crumb. En fijne scenariootjes met altijd een zweem van melancholie. Voor de liefhebber: tien jaar geleden gaf Mueller in eigen beheer de comic The Nincompoop uit met drie semi-autobiografische verhalen. Dat pareltje is al jaren nergens meer te krijgen. Gelukkig is er nu The Nincompoopje. Wij willen méér Mueller!
Kapitein Voodoo 3 – Het einde van Port Royal (Daedalus): Cormac Mac Leod is een Ierse piraat met voodoo-connecties. Hij trekt naar de Blue Mountains van Jamaica. Daar hebben gevluchte slaven onder koningin Nanny, een machtige voodoopriesteres, de schat van Columbus verborgen. Cormac wil die schat om zijn broer los te kopen bij Baron Trage, die van hem een zombie heeft gemaakt. Dat is een probleem waarvoor de meeste mensen geen goede oplossing kennen. In dit afsluitende deel van de trilogie behandelt Pécau zijn plot met de gebruikelijke flair maar ook de gebruikelijke haast. Tekenaar Perovic lijkt in dit slotdeel zijn beste pennen te hebben uitgeleend aan iemand anders, want zijn personages worden soms ronduit onherkenbaar. Port Royal zinkt uiteindelijk letterlijk in zee, wat historisch klopt en dramatisch nog beter uitkomt. Een bevredigend einde voor wie de eerste twee delen al had en een reden om die volgorde te respecteren.
De grote pest 2 – Het doolhof en de oorlog (Daedalus): Een jaar na het eerste deel doorkruisen Alice en Baldus een Frankrijk dat dubbel geteisterd wordt. Van links komt de pest, de Honderdjarige Oorlog van rechts. Ze passeren de pauselijke stad Avignon, de ondergrondse gangen eronder, de koopstad Straatsburg en eindigen als toeschouwers bij een veldslag tussen Engelse en Franse troepen. Ondertussen zinkt Baldus steeds dieper weg in zijn waanzin en obsessies, terwijl Alice hem zo goed en zo kwaad als het gaat overeind houdt. De schurk Roland de Nerville blijft hen bovenal ook nog eens op de hielen zitten. Stalner tekent dit alles met de gebruikelijke grandeur die zijn werk kenmerkt. Het tweede deel haalt het niveau van het eerste niet helemaal, maar sluit het tweeluik bevredigend af. 120 pagina’s middeleeuwse ellende van het meest schilderachtige soort.
Jommeke 332 – De bron van de jeugd (Standaard Uitgeverij): Kapitein Jan Haring vindt tijdens een ijsberenduik (een grapje dat niet heel grappig uitpakt) een boodschap in een fles, vermoedelijk van zijn vader die tientallen jaren eerder schipbreuk leed. Voor je het weet zijn Jommeke en vrienden op weg naar de bron van de jeugd, want dat staat blijkbaar op het briefje. Ze belanden in een heuse piratenstad en weten zich allemachtig in de problemen te draaien. De bron van de jeugd is een plot dat Ponce de León al in 1513 uitprobeerde en sindsdien door elke avonturier, tekenfilmstudio en Jommeke-schrijver ter hand werd genomen. Dat Kristof Berte er toch iets eigens van maakt, is wellicht te danken aan de frisse blik van debutant Steve Van Bael, die voor het eerst een Jommeke tekent.
De Marsupilami’s 1 – De legende van de marsupilami (Dupuis): Franquins gele cipier van de jungle is intussen een complete entertainmentindustrie geworden. Films, animatiereeksen en nu dus ook een nieuwe stripreeks als prequel bij de tekenfilmserie die eind 2025 van start ging. Twee kinderen passen op drie marsupilami-eieren, de eieren klappen open en chaos volgt. Het scenario van de Amerikaanse Amanda Deibert is net zo voorspelbaar als het klinkt. Wij vinden geen verrassingen, geen nieuwe hoeken, maar brave afwisseling van komische situaties die recht uit het animatiehandboek komen. Wat de strip redt, is tekenaar Goum, die de erfenis van Franquin respecteert zonder er een museumstuk van te maken en de chaos met goede energie op papier zet. Voor de beoogde doelgroep van negen jaar en jonger is dit prima. Voor wie Franquin kent: u bent niet de doelgroep en dat merkt u.
Nessie 1 – Aan de voet van de vulkaan (Dupuis): Crisse en Besson hebben het thema van gescheiden ouders zo behendig in een dinosaurusavontuur verstopt dat het kind een vrolijk verhaal over een uitbarstende vulkaan en een groottand leest, terwijl de volwassene die voorleest stilletjes nadenkt over zijn leven. De pterodactylus die nog moet leren vliegen is daarbij puur bijzaak. Vierennegentig kleine pagina’s voor een doelgroep vanaf drie jaar. Wij raden het aan voor elk kind met gescheiden ouders en voor elke ouder die daar nog niet over heeft gepraat, maar het nu misschien toch maar eens moet doen.
De Kiekeboes 169 – Smerig spel (Standaard Uitgeverij): Een internationaal voetbaltoernooi voor de allerslechtste ploegen uit elk land. Dit is de FIFA-versie die nooit zal bestaan, maar eigenlijk zou moeten. Marcel Kiekeboe mag de grasmat onderhouden en de gastgezinnen regelen, terwijl Charlotte en Fanny uitzoeken waarom de voetballer die bij hen thuis logeert onder druk wordt gezet door een goksyndicaat. De organisator van het toernooi heet Infantilio, wat de subtielste mediakritiek is die we dit jaar in een stripalbum aantroffen. Corruptie, hooligans en groot geld worden aangepakt met de vertrouwde Kiekeboes-mengelmoes van spanning en humor. Aangenamer dan het echte WK en ook een stuk minder lang.
Marla 1 – De grot van de flamingo (Dupuis): Een meisje dat liever avonturenromans leest dan vakantie viert, vindt op het strand een fles met een parel en een schattenjacht erin. Voor ze goed en wel beseft wat er gebeurt, staat oma klaar met wandelschoenen en herinneringen aan het kustdorp Sirène, waar ze ooit opgroeide. Wie denkt dat hij dit verhaal al kent, heeft waarschijnlijk gelijk en de scenarist herhaalt hier met enige zelfverzekerdheid zijn eigen formule. De vraag is alleen of de tekeningen goed genoeg zijn om dat door te laten gaan. Ze zijn het. Calderón tekent met een warmte en een precisie die je zelden ziet bij iemand die nog maar een handvol albums op de teller heeft. Ze maakte kleurrijke kustdecors waar je even in blijft hangen, met personages die meer zeggen met hun gezicht dan de dialogen met woorden. Het intergenerationele knuffelmoment aan het einde was van pagina één al in zicht, maar als de tocht ernaartoe er zo uitziet, klaag je niet. Fijn boek voor wie graag aankomt op een bestemming die hij al kende.
Julie Wood 2 – Familiegeheimen (Graton/Dupuis): Julie Wood is een motorrijdster van Jean Graton die na 45 jaar afwezigheid terugkeerde met een nieuw gegeven dat de oude reeks nooit had durven aanraken: haar ouders werden vermoord. In dit tweede deel krijgt die moord langzaam een gezicht in de vorm van een Pools maffialid, wiens connecties via het Antwerpse havenverkeer naar de garage van de familie Wood lopen. Dat verklaart meteen waarom de ontknoping zich deels op het circuit van Mettet gaat afspelen en dus ook een beetje aanvoelt als een thuiswedstrijd voor de uitgeverij. Intussen rijdt Julie Flat Track om haar plek tussen de mannen te verdienen, maar de races fungeren steeds vaker als verplichte nummers tussen twee maffiatafereeltjes, terwijl het bij Graton altijd precies omgekeerd was. Stassi tekent de actiescènes met pit, maar buiten de baan schuift Julie’s gezicht soms van panel tot panel. Het donkere kleurgebruik ademt eerder hedendaagse noir dan het vaart-en-spanning-DNA van de originele reeks. Degelijk middendeel, maar de motor mag in deel drie eindelijk weer op kop.
IJzerlijm 1 – Mysterie in Rommelgem (Dupuis): Dat het tientallen jaren heeft geduurd voor iemand IJzerlijm een eigen reeks gaf, is verwonderlijk. Dat het nu eindelijk is gebeurd en het resultaat zo braaf is uitgevallen, is helaas teleurstellend. IJzerlijm trekt naar het idyllische Rommelgem voor een welverdiende vakantie, maar raakt meteen verwikkeld in de dorpsruzie tussen de jagers van de GVR en de milieuactivisten van Arthur Natuur. Intussen verdwijnen er zomaar dieren. Het concept klopt absoluut en de cosy mystery-sfeer zit er goed in. Elric tekent Rommelgem met een propere lijn die het universum eer aandoet. Het probleem zit in het scenario, waarin zo duidelijk niemand voor het hoofd gestoten wordt dat de scherpte die Franquins IJzerlijm zo aantrekkelijk maakte er volledig uit is geperst. De vrouw die Kwabbernoot altijd een stap voor was, wordt hier een flinke tand rustiger. De twee vijandige kampen worden zorgvuldig gelijkgeschakeld, zodat niemand zich beledigd hoeft te voelen, en dat is nu precies het omgekeerde van wat Franquin zou hebben gedaan. Net goed genoeg voor een eerste deel, maar IJzerlijm verdient scherper.






