Terwijl de zon het papier van onze leestafel verschiet, hebben wij ons plichtsgetrouw door de nieuwste stapel albums gebuffeld. Het was ook deze maand weer niet mis. Van levensmoeie buitenaardse wezens en zinkende oceaanreuzen tot grimmige maatschappelijke fabels met een onderbroek in de hoofdrol. De uitgavenmolen maalt onverstoorbaar door. Zoals u van ons gewend bent, scheiden we het koren van het kaf zonder meelij. De vertrouwde, onversneden KvS-analyse op het scherpst van de snede. Pak er een verfrissend glas bij, installeer u in de schaduw en ontdek hieronder welke albums uw zuurverdiende centen waard zijn, en welke u met een gerust hart op de stapel mag laten liggen.
College Apocalyps 1 – Het ongeluk (Tzooz): In een heerlijk hoog tempo raast deze nieuwe reeks voorbij langs werkelijk álle clichés die het post-apocalyptische genre zo smakelijk maken. Een Franse schoolklas belandt tijdens hun Italië-reis midden in een buitenaardse invasie, compleet met gigantische tripods die rechtstreeks uit War of the Worlds lijken weggelopen. Puur toevallig beschikt het tienergezelschap exact over de juiste vaardigheden om dit bloedbad te overleven. De introverte nerd ontpopt zich op slag tot survival-expert, het turnmeisje blijkt feller en fitter dan het voltallige leger en de klassieke pestkop gaat ongetwijfeld het feestje verpesten zodra de rust weer lijkt terug te keren. Schaamteloos? Absoluut. Het is bovendien een kwestie van tijd voordat blijkt dat de ware vijand niet uit de ruimte komt, maar gewoon de mens zelf is. En als de Grote Buitenaardse Baas dan ook nog eens als een soort Megatron opduikt, zijn wij helemaal om. Injecteer dit spul rechtstreeks in onze aderen en kom snel door met die twee vervolgdelen. Wij zitten er klaar voor.
Het Narrenschip 11 – Wat een spektakel (Daedalus): Al drie albums lang is de koningin van Gekwater spoorloos verdwenen tijdens een goochelvoorstelling. En al drie albums lang slaagt Turf er wonderwel in om die zoektocht te rekken zonder ook maar één verdraaid antwoord te geven. In dit elfde deel hijsen sergeant Goegebuur en zijn kompaan Baltimore zich in keurige pages-kostuums om met vervalste papieren het paleis uit te kammen. Van de griezelige kelders tot het theater en van de weelderige paleiskas tot het kantoor van de briljant incompetente inspecteur Vos. Turf bouwt zijn pagina’s op als absurdistische toneelstukjes vol rake dialogen. U valt van de ene geschifte scène in de andere, ditmaal met een glansrol voor een witte onderbroek met rode stippen. Is de koningin aan het einde van de rit eindelijk terecht? Uiteraard niet, wat dacht u zelf? Turf maalt op zijn eigen, doorgedreven slakkenwerktempo voort. Wie haast heeft of antwoorden zoekt, leest simpelweg de verkeerde strip.
Wolvennacht 1 (Lauwert): De weerwolf is in de stripwereld wat de kookshow is op televisie: er bestaat altijd wel ergens een zender die denkt dat het een origineel idee is. In dit geval duikt het beest op in het negentiende-eeuwse Québec, waar arme Jean-Thomas elke avond door zijn vader in een houten hut wordt opgesloten. Hij verandert bij valavond namelijk in iets waar het dorp absoluut niet op zit te wachten. De tekeningen lossen die belofte met verve in. De pagina’s zijn opgebouwd als een film, met beeldhoeken die broeierige spanning en ruimte creëren. Schitterend gemaakt voor een stripdebuut, met een sfeer die het kille, winterse Québec tastbaar maakt. Het scenario doet helaas het omgekeerde, het is lomp en iedereen staat constant naar iedereen te schreeuwen. Geen mens die ooit iets fluistert; de spanning die de tekeningen opbouwen wordt telkens meteen weer platgeroepen. Als de maker in deel twee evenveel energie in het verhaal steekt als in de plaatjes, houden wij deze reeks aandachtig op de korrel.
De wolf in zijn onderbroek 2 – IJskoud! (Silvester): Als de wolf ‘s winters grollend door het bos sjokt dat “ze bevriezen!”, slaat de dorpsgemeenschap meteen op hol. Want welke edele delen een wolf precies dreigt te verliezen als zijn onderbroek de koudetest niet doorstaat, blijft in het midden. De paniek in het bos is er niet minder om. Lupano verpakt onder die absurde, ongezegde dubbelzinnigheid subtiel een fabel over sociale paranoia en de opvang van de kwetsbare vreemdeling. Dat klinkt loodzwaar voor kleuterproza, maar de scenarist – ook bekend van Krasse Knarren – doseert zo licht dat de zevenjarige schatert om het winterse sprookje en de meelezende ouder halverwege met opgetrokken wenkbrauwen opkijkt. Mayana Itoïz vat de kou gevat samen in frisse blauwen en witten, met als visueel ankerpunt een schitterende, nachtelijke silhouette-pagina. Een fractie minder verrassend dan het eerste deel, maar inhoudelijk nog altijd vele klassen beter dan het gemiddelde kinderboek.
Floris van Dondermonde 6 – Floris de zesde (L): Je zou denken dat de riddergrappen met alle ridderstrips uit de geschiedenis wel zo ongeveer verteld en bedacht zijn, maar toch lukt het Remco Polman en Wilfred Ottenheijm steeds weer om nieuwe invalshoeken te bedenken. Hun geheim heet Floris. Want ook in dit zesde deel, met grappen van één tot meerdere pagina’s, blijkt dat die atypische knakker, met zijn enorme torso en schoenmaat 35, eerder een dwaas is dan een ridder. En over dwazen is het heerlijk grappen maken, zo bewijst dit album. Want wie goed kijkt, ziet dat ze best vaak helemaal niet over ridders en aanverwante zaken gaan, maar dat er eerder een kundige vertaalslag naar vroeger wordt gemaakt. Dat maakt ons geen bal uit, want lachen doen we toch wel. Over vroeger en onszelf, misschien.
Saint Seiya – Time Odyssey 3: Hyoga tussen vuur en ijs (Daedalus): Wie als kind naar De Ridders van de Zodiak keek, weet nog precies op welk tapijt hij zat te snotteren. Dat is het soort jeugdnostalgie dat een frisse stripbewerking nooit kan winnen, de herinnering klopt immers altijd. Dit derde deel plaatst Hyōga de Zwaan centraal in een ijzig avontuur dat zich afspeelt in Blue Graad. De makers kregen de rechten op Asgard blijkbaar niet vast, wat meteen de juridische krampen van dit soort hommages verraadt. Hyōga herenigt in de dood een moeder en haar kind, wat bij de rasechte fan precies de juiste nostalgische snaar raakt. Jérôme Alquié tekent het met technische overtuiging en eert de originele animéstijl zonder er een slaafse kopie van te maken. Wie kritisch kijkt, ziet echter dat de pagina’s te vol gepropt worden met nevenfiguren, waardoor Hyōga soms verdrinkt in zijn eigen album. Bovendien schuurt de plot opvallend dicht tegen fanfiction aan. Wie dat vergeeft, krijgt wel een vurige liefdesbrief.
Normandië, Juni ’44 11 – Operatie Fortitude (Silvester): Van de nazi’s kreeg Juan Pujol García het IJzeren Kruis en een miljoen pond, de Britten beloonden de man met een MBE. Dezelfde kerel, hetzelfde spionagewerk, twee ridderordes van twee aartsvijanden. Deze Catalaanse kippenkweker zonder ook maar één seconde spionageopleiding bood zichzelf doodleuk aan bij de Abwehr en MI5. Hij zoog een fictief netwerk van vierentwintig sub-agenten uit zijn duim en praatte Hitler twee dagen na D-Day aan dat Normandië maar een afleidingsmanoeuvertje was. Resultaat was dat het voltallige 15de Duitse leger als een bende imbecielen bleef staan schimmelen in Pas-de-Calais. Dat fantastische gegeven verdient uiteraard een strip, maar scenarist Djian maakt er helaas een gortdroge lezing van. Wie hoopt op een flitsende spionagethriller komt van een koude kermis thuis. De pagina’s buitelen over van de passieve dialogen en de tekenaar hanteert een penseel dat doordrenkt lijkt met stijfsel. Het historisch dossier achterin levert zoals steeds de nodige bewijslast, maar een mens vraagt zich af waarom dit niet gewoon een geschiedenisboek mocht worden. Buitenissig verhaal, dat wel, maar qua stripvonk behoorlijk aan de magere kant.
Hexeleintje 7 – De eed van Hypocriet (Daedalus): Een angstaanjagend monster genaamd Hemoglobien terroriseert de fabeldieren. Inderdaad, scenariste Sylvia Douyé is voormalig wetenschapsjournalist, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Het pijnlijk ongemakkelijke nieuws is dat Hexeleintje en haar vrienden de bal zelf hebben laten mislopen. De beesten zijn het ongewenste bijproduct van hun eigen clandestiene geknutsel met fenixbloed. Die schuldvraag geeft dit zevende deel een verrassende morele diepte; de jacht op de griezel is tegelijk een confrontatie met hun eigen blunders. Ondertussen leert Charlie de ontluisterende waarheid over zijn afkomst en dringt Hexeleintje dieper binnen in de geest van de sinistere meester Vorn. Tekenares Paola Antista hanteert daarbij de ronde, warme potloodstreek van iemand die op de Disney-academie heeft geleerd hoe je een jong publiek betovert. Door de duistere ondertoon die Douyé er album na album inweeft, groeit deze jeugdreeks uit tot iets wat aanzienlijk meer gewicht heeft dan de schattige cover doet vermoeden. Zeer degelijk werk.
Schaduw der Verlichting 1 – Een vijand van de mensheid (Silvester): Wie de naam van Alain Ayroles op de cover leest, weet exact wat hij koopt: een scenarist die de achttiende-eeuwse literatuur beter kent dan uw gemiddelde kardinaal de bijbel, dialogen zo glanzend als de parketvloeren van Versailles en een protagonist die u terstond op zijn bakkes wil slaan. Maak kennis met Ridder Saint-Sauveur. Cynisch, arrogant, doortrapt en financieel morsdood. Om zijn kassen te spekken zette hij een schaamteloze weddenschap op om een getrouwde vrouw te gronde te richten. Hij verbeeldt de uitgedoofde Franse adel op hun best. Niet mogen werken, niet meer kunnen vechten en dus maar intrigeren om niet te vergaan van de verveling. Deze briefroman in stripvorm is een grandioze hommage aan Les Liaisons Dangereuses en De laatste der Mohikanen. Guérineau tekent het meesterlijk en somptueus. Het is een doordachte opbouw naar deel twee in Nieuw-Frankrijk (Amerika) en wij leerden er en passant nog mee hoe een cilinderschrijfbureau in elkaar zit. Smullen..
De Ballingen van Mosseheim 1 – Nucleaire vluchtelingen (Lauwert): Wanneer sterrenchef Christophe in Mulhouse zijn eerste Michelinster viert, blazen plots de sirenes. Een aanslag op de kerncentrale bedekt de Elzas met radioactieve troep. Zijn vrouw krijgt buiten meteen de volle laag. Achttien dagen later zit hij met z’n gezin in een Zweeds opvangkamp tussen honderdduizenden Fransen, Belgen en Duitsers. Dat gedachte-experiment vormt het ijzersterke fundament van dit album. Niet ‘de ander’ wordt vluchteling, maar wij. De onderlinge vetes laaien snel op; de Duitsers geven de Fransen de schuld, moslims worden meteen gepakt. Ondertussen verdringen de commerciële Start-Up City-haaien de hulpverlening voor goedkope arbeid. Intussen moet zoontje Thib bang afwachten wat de straling met zijn lijf doet. Dat de auteur de vluchtelingenwereld als journalist van nabij kent, voel je aan de ijzingwekkende echtheid. De sobere tekenstijl vermijdt goedkoop spektakel en toont ontredderde mensen in een bureaucratische nachtmerrie. Soms wat dik aangezet, maar de spiegel die ons wordt voorgehouden snijdt diep. Deel twee volgt in het najaar.
Morgen 5 – Akte 5 (Silvester): Leo en Rodolphe zijn de onbetwiste koningen van het uitgerekte vijfluik – Centaurus, Europa, Scotland, u kent het rijtje ondertussen wel – en dus moet ook Morgen er na vijf delen onherroepelijk aan geloven. Vijf albums lang schinkelden we tussen twee dromende pubers: knul Joe in een kraaknet jaren-vijftig-Amerika en meid Fleur in een gortdroge, postapocalyptische toekomst. In dit slotstuk worden die twee lijntjes met de nodige ellebogenstoom samengesmeten, wordt de geheimzinnige Angie ontmaskerd en belanden we voor de apotheose in een gigantische ondergrondse grot onder de Mongoolse woestijn. Met een geprojecteerde nephemel aan het plafond, jawel. De interpretaties zijn wisselend. Volgens de enen een conceptueel meesterwerk, volgens de anderen doorgeslagen sci-fi-gezwam op overdrive. Wij houden het op dat laatste. Gelukkig kwijt Louis Alloing zich met zijn strakke, oerdegelijke klare lijn uitstekend van zijn taak en stut hij het wankele scenario voor de totale instorting. Geen vetpot, maar wie de eerste vier delen al in de kast heeft staan, mag dit slotakkoord er uiteraard matig bevredigend bijschuiven.
Bloedkoninginnen: Agrippina – Goddelijk Bloed 1 (Daedalus): Agrippina de Jongere was de zus van Caligula, echtgenote van Claudius en moeder van Nero. Ze was daarmee de enige vrouw ooit die zus, echtgenote én moeder was van een keizer. Het ultieme bewijs van haar politieke geslepenheid, maar evengoed van het feit dat het Romeinse keizerrijk over een wel heel kleinzielig sociaal netwerk beschikte. Dit openingsdeel van een nieuwe trilogie start bij haar geboorte in de modder van Germanië en volgt haar opgang te midden van bloedige complotten die haar familieleden één voor één een kopje kleiner maken. Luca Blengino levert hier zijn derde Romeinse Bloedkoninginnen-reeks af en schrijft merkbaar sterker dan ooit. Agrippina wordt nu eens niet geromantiseerd tot zielig slachtoffer, maar neergezet als een ijskoude, gewetenloze intrigante die minstens even meedogenloos is als de mannen rondom haar. Over het tekenwerk valt te twijfelen, maar het scenario staat als een huis. Een stevig openingsdeel voor wie van Rome houdt zolang het bloedt.
Irena 4 – Ik ben trots op je (Silvester): Dat het geweten van Irena beduidend steviger is dan haar botten, mag inmiddels duidelijk zijn. Ze ontsnapte op het nippertje aan haar SS-beulen en wankelt nu onder een valse naam stug verder door het verzet. Ze smokkelt medicijnen en neppapieren, voert wapens aan voor de opstand en passeert langs het koppel Zabinski, dat in de lege hokken van de plaatselijke zoo complete Joodse gezinnen verbergt. De makers weven er sfeervol herinneringen aan Irena’s vader doorheen, maar schuwen ook de wrange sprong naar 1983 niet. Pas achttien jaar na haar onderscheiding in Yad Vashem mocht ze daar eindelijk haar boom planten, simpelweg omdat de communistische klootzakken in Polen haar al die tijd een visum weigerden. Wanneer het knaapje Borys zich even later hardop afvraagt hoeveel moeders een mens eigenlijk kan hebben omdat hij net zijn tweede kwijt is, slikt zelfs de meest cynische striplezer een brok weg. Het tekenwerk behoudt de ingehouden warmte die de reeks vanaf pagina één siert, terwijl dit voorlaatste deel de politieke beerput rond de bezetting flink opentrekt. Aangrijpende kost zonder een spoor van goedkope pathos.
Samoerai Legenden 10 – Akuma (Daedalus): Na negen delen brengt deze spin-off eindelijk alle voormalige Samoerai bijfiguren tegelijk op het toneel. Ronin Dogen dient zijn nieuwe meester Akuma en bewijst zijn waarde meteen door een ‘onverslaanbare’ sumotori de vloer op te vegen, maar zijn gezellen zijn minder enthousiast. Wanneer Reiko en O-Kane willen afbollen, overtuigt Furiko hen om te blijven. In het middeleeuwse Japan is een positie als krijgster immers nog altijd beter dan wat vrouwen daar anders te wachten staat. Een cynisch “kies de minste van drie kwalen”-argument voor emancipatie, maar het geeft de reeks een verrassend doordacht randje. Geen zorg verder, het sabelgekletter viert hoogtij. Blote billen, borsten en milde stralen bloed spatten ons als vanouds tegemoet, want tekenares Cristina Mormile weet exact wat haar publiek verlangt en levert dat met verve. Akuma zelf blijft als dreigende schaduw op de achtergrond hangen, dit is immers pas deel één van een tweeluik. Voor de trouwe fan geen enkel probleem.
De avonturier (Lauwert): Wanneer de pest zijn ouders meeneemt, trekt Anselmo de wereld in op zoek naar zin. Hij kruist het pad van sterrenwichelaar Geron, een man die je exacte sterfuur kan voorspellen, en valt onhandig genoeg als een blok voor diens dochter Lucrezia. Geron ziet de verbintenis niet zitten en liegt dat Anselmo over exact één jaar het hoekje om gaat. Een leugen om zijn dochter af te schermen, maar eentje die Anselmo’s leven wel pardoes in een tragische lotsbestemming verandert. Hier ten huize houden we wel van dergelijke literaire stoute stukjes. Het album neemt ruim zijn tijd, wie bij de titel De avonturier spektakel en actie verwacht, slaat gegarandeerd de verkeerde strip open. Wie die trage cadans toelaat, vindt echter een verhaal dat prachtig nazindert. Tekenaar Settimo levert eigenzinnig werk met grote, ondoorgrondelijke ogen en dromerige pasteltinten die eerder aan een fabel doen denken dan aan een starre historische strip. Mooi werk.
Legende 11 – Moge God ons bewaren (Daedalus): Tristan von Halsburg erft het Russische domein van de bloeddorser Beklemitsj, inclusief de gunsten van diens dochter Dojnitsa, wat in dit genre een garantie is op kletterende miserie. Onze held kampt meteen met een existentiële vraag: kan een zwervenminnende hartenbreker hertog spelen terwijl de Grote Horde van Dzjengis Khans kleinzoon Kiev platbrandt en zijn richting uit stormt? Het antwoord verbaast niemand, Tristan wisselt sneller van mening dan van harnas en trekt op de slotpagina gewoon weer de steppen in met zijn wolvin. Na elf delen kijkt niemand daar nog van op. Wat wel choqueert, is hoe haastig dit album in elkaar is gevijld. Een cliffhanger uit het vorige deel wordt op drie schamele prentjes afgedaan, de grote finale veldslag is een chaotisch boeltje en personages worden als confetti afgeserveerd. Stéphane Collignon tekent nog steeds meer dan degelijk, maar zelfs zijn prima penseelwerk kan dit zinkende schip niet redden.
De Grote Scheepsrampen 1 – Lusitania (Standaard Uitgeverij): Op 1 mei 1915 stapten de passagiers in New York aan boord van de Lusitania, ondanks de Duitse krantenwaarschuwingen dat Britse schepen op eigen risico voeren. Achttien minuten na de torpedo-inslag lag het schip op de bodem. Wij hier ten huize telden ondertussen hoe vaak tekenaar Jean-Yves Delitte zijn eigen naam in beeld krabbelde. Het antwoord: vaker dan nodig voor iemand die al 26 delen Grote Zeeslagen op de teller heeft en mag aannemen dat zijn publiek hem kent. Maar soit, het album zelf staat als een huis. Delitte vertelt de ramp van 1915 in parallel met een miniduikbootje dat in 1993 bij de exploratie van het wrak klem komt te zitten. Die tweede verhaallijn geeft het geheel veel meer spanning dan een droge historische reconstructie. Zijn schepen zijn zoals steeds adembenemend, zijn menselijke personages blijven helaas bleke schimmen. Achterin zit een keurig historisch archief. Absoluut aanbevolen voor wie van zinken houdt.
Valois 4 – Met vuur spelen (Daedalus): Karel VIII is dood nog voor hij Italië kon binnenvallen, maar neef Lodewijk XII pikt de troon en de expansiedrift moeiteloos op. Hij wil Milaan én Bretagne, maar zit vast aan zijn gebochelde echtgenote Jeanne. Een probleem dat hij prompt oplost door haar als eerste koninklijke daad op straat te bonken. Paus Borgia helpt graag een handje, al botst diens zoon Juan in Forli op een muur van Sforza’s, geleid door een Caterina Sforza in vol harnas. Midden in dit koninklijke kluwen staan onze twee fictieve huurlingen Henri en Blasco weer garant voor een fikse dosis pech. Scenarist Gloris – historicus van opleiding – verweeft al die politieke intriges met een meesterlijke souplesse zonder de lezer een indigestie te bezorgen, terwijl Calderón alles mooier tekent dan het in de vijftiende eeuw ooit is geweest. Een magistraal slotdeel van een ijzersterke historische reeks, die goddank toch één album langer mocht doorlopen.
De vallei der vergetenen (Le Lombard): Clark is een ex-guerrillastrijder uit de Amerikaanse Burgeroorlog die de spiraal van geweld probeerde te ontvluchten. Zijn eigen makkers lieten hem voor dead achter en vermoordden zijn vriendin. Zwaargewond vindt hij onderdak in Ladies Valley, een geheimzinnig bergfort waar uitsluitend uitgestoten vrouwen en een oude veteraan huizen. Dit uitgangspunt over een feministisch toevluchtsoord in het wilde westen belooft veel, maar schiet inhoudelijk tekort. Al snel degradeert de vrouwen-enclave namelijk tot niet meer dan een pittoresk decor voor Clarks persoonlijke wraaktocht tegen de schurk Winter. De strip ‘vergeet’ haar titelheldinnen paradoxaal genoeg in hun eigen verhaal. Wat overblijft is een klassiek wraakepos, al wordt dat visueel wel op topniveau geserveerd. De tekenstijl levert heerlijk karaktervolle, rauwe koppen en adembenemende panorama’s op, ondersteund door warme, sfeervolle inkleuring. Een inhoudelijk wat voorspelbare western die z’n unieke premise niet helemaal inkopt, maar over de volle 148 pagina’s wel moeiteloos onderhoudt.
Malefosse 23 – Italiaans Vergif (Daedalus): In de zomer van 1597 ziet Roetkop na twee jaar kerker in Fort La Latte eindelijk weer het daglicht. De hertogin van Penthievre heeft hem bevrijd, al is ‘vrij’ een groot woord. Ze gebruikt hem doodleuk als chantage-werktuig tegen zijn zuster Louise. Nadat Spanje en de Manus Dei hun neus al in de zaak staken, duikt er nu ook nog een Italiaanse codetekst op. Dit voorlaatste deel van de vierentwintigdelige saga drijft de complexiteit naar een absoluut kookpunt. Scenarist Bardet stapelt de intriges gestaag op en overgiet alles met archaïsch taalgebruik, wat de historische sfeer ongeëvenaard dik maakt. De schaduwzijde is al even vertrouwd, op dit punt in de reeks hebben zelfs de trouwste lezers een spoorboekje nodig om alle bondgenootschappen en verraad uit elkaar te houden. Wie hier pas instapt: keert om en begint bij deel één. Wie wil weten hoe dit epos afloopt, rept zich in oktober naar de stripwinkel.
Greenwood 3 – De zaterdagclub (Silvester): Dat Greenwood zowat alle vakjes van een geslaagde jeugdstrip afvinkt, stelden we al eerder vast. Dit derde deel gooit daar nog een moraal bovenop, zonder dat het een prekerige boel wordt. Wanneer het vosje Honey verstoord wordt tijdens het studeren, blijkt de stront aan de knikker. De baksels van de grote bakwedstrijd zijn vergiftigd. Samen met een raaf en een krekel trekt hij het moeras in voor een speurtocht vol blubber, kauwgom en de ontdekking dat solistisch de held uithangen minder oplevert dan ordinair teamwerk. Dit album rondt meteen de eerste grote verhaallijn af; hierna is het elk album voor zich. Giovanni Rigano geeft het bos lekker duister vorm, exact geknipt voor de drassige moerassfeer waar ons grut doorheen baggert. Die educatieve bijlages tussendoor over bijen, klei en sporenzoekerij zijn overigens nog steeds de geheime troefkaart van de makers. Wie de eerste twee albums in de kast heeft staan: niet miauwen, gewoon aanschaffen.
Magiërs 10 – Disha (Daedalus): Het Arran-universum is inmiddels zo gigantisch dat overzichtelijke tijdlijnen geen overbodige luxe zijn. Wij bewaren ze netjes in een map, ergens tussen de schoolrapporten van de kinderen en de handleiding van de magnetron. Dit tiende deel bewijst echter dat de wereld moeiteloos op eigen benen staat. Disha en haar kameraad Yoni verdienen hun brood met illegale golemgevechten in de onderbuik van Medjinn, een heerlijk soort Robot Wars avant la lettre. Wanneer de geheime politie hen snapt, belanden ze in de mangel tussen keizerlijke leugens en verraad. Yoni kiest blind de kant van de keizer, terwijl Disha weigert mee te werken aan de uitroeiing van de oude volkeren. Door Disha als verteller op te voeren, voel je het broeiende contrast met Yoni veel beter dan via een afstandelijke alwetende stem. De tekeningen schotelen adembenemende landschappen en golemgevechten voor met een dynamiek die de pagina’s doet trillen. Eén van de sterkste afleveringen tot nu toe.
Wat ik zag in Auschwitz (Standaard Uitgeverij): Een stoffige schoenendoos op zolder met vergeten papieren, het is inmiddels een beproefd cliché in de herinneringsliteratuur. Toch ontkomt dit album aan de bekende valkuilen. De doos van Alter Fajnzylberg bevatte namelijk geen melancholische herinneringen, maar vier Pools beschreven schriften. Zijn Franse zoon sprak de taal niet, waardoor de gruwelijke inhoud decennialang geheim bleef. Alter overleefde achttien maanden als Sonderkommando in de crematoria en smokkelde via het kampverzet de beruchte illegale gaskamerfoto’s buiten. Dit album ontwijkt de sentimentele paden en richt zich op het wrange psychologische mechanisme. De SS dwong gevangenen tot de vernietiging om hen voor het leven met een loodzwaar schuldgevoel op te zadelen. De sobere tekenstijl in doffe sepiatinten vermijdt voyeurisme en spektakelzucht. Wat begint als de zoveelste ‘ontdekking op zolder’, transformeert zo tot een rauwe, ontregelende en historisch noodzakelijke confrontatie die nog lang nazindert.
Dagboek van een Krijger 10 – Oog in oog met de Oproeper (Diedeldus): Wie dacht dat ongeautoriseerde Minecraft-strips steken blijven in goedkope cash-ins voor de jeugd, heeft buiten deze reeks gerekend. Wat ooit begon als digitale fanfiction heeft zich ontwikkeld tot een opvallend volwaardige komische avonturenreeks met de ziel van de klassieke Franco-Belgische strip. In dit tiende deel trekken de sympathieke prutsers naar het landhuis van de Oproeper. De kracht zit niet in de hoogdravende fantasy-epiek, maar in het absurdisme: een villager die weigert wortels te kweken, een filosofische zombie met menselijke trekjes en een vervloekt zusje dat alle plotlogica overhoop gooit. De visuele humor gebruikt de hoekige pixel-esthetiek van de game verrassend inventief, zonder dat het een rigide blokkenboel wordt. Onder de gags schuilt bovendien een zeldzaam organische karakterontwikkeling die je bij de meeste jeugdreeksen vergeefs zoekt. Het resultaat is een zeldzaam geslaagde adaptatie die gamelogica moeiteloos vertaalt naar puur stripvermaak voor zowel de doelgroep als de meelezende ouder.
Iron Lady – Engelse Trilogie 1 (Lauwert): Wanneer op 8 april 2013 de televisie in een pub aan de Engelse zuidkust meldt dat Margaret Thatcher is overleden, is dat het sein voor een gratis ronde bier. De kroegeigenaar trommelt zijn jeugdvrienden bijeen, met wie hij opgroeide in een door het Thatcherisme gesloopte arbeiderswijk. Hun hereniging draait om herinneringen aan punk en Doc Martens, maar vooral om die andere Iron Lady, een roestige Norton Manx-motorfiets in de garage. Wat begint als een felle politieke afrekening verandert zo al snel in een intiem en bitterzoet sociaal drama. De rauwe maatschappijkritiek maakt geleidelijk plaats voor weemoed over verloren jeugddromen en een onverwoestbare vriendschap. Visueel kiest de strip voor een gechargeerd realisme met een rauw undergroundrandje, ondersteund door sfeervolle en warme kleuren. Het levert een bijzonder geslaagde en melancholische initiatiestrip op die smaakt naar meer. De vertaling van de overige twee delen volgt gelukkig snel.






