Kort van stof

Kort van stof: mei 2026

De lente is een goed moment om dingen te beginnen. Een kathedraal bijvoorbeeld, of een bluescarrière in een dystopisch Antwerpen. In deze editie doen de helden van Amoras het tweede en legt meesterbouwer Tom de fundering voor het eerste. Dit terwijl Sente zijn pen in de krant doopte voor de nieuwste XIII en Hermann zijn allerlaatste album afwerkte. De rest van de stapel is zoals gewoonlijk een vrolijk allegaartje van reuzen, goden die van baan wisselen en nazi’s die naar de maan willen. We hebben gelezen, geoordeeld en overleefd. U ook, hopen we.

De bloemen van grote broer (Diedeldus): Op een lentedag groeien er bloemen op het hoofd van grote broer. Zijn kleine broertje vindt dat prachtig en vertelt er over. Dan beginnen de bloemen te praten. Gaëlle Genillers debuut is een literaire fantasie van de zachtste soort. Met pastelkleurige tekeningen, een dromerige sfeer en een boodschap van aanvaarding en anders-zijn die u al ver voor het einde zult hebben aangevoeld. Het werkt, ook omdat Geniller verstandig genoeg is om de pestkop op school slechts te laten aankondigen maar nooit te laten opduiken. Een verhaal over innerlijke bloei, letterlijk. Of de bloemen staan voor puberteit, een beperking of gewoon anders-zijn laat ze wijselijk open. Beeldschoon, goedhartig en iets te lief voor zijn eigen goed, maar daar gaat verder absoluut niemand mee inzitten.

De Pilaren van de Aarde 1 – De droom van de bouwmeester (Standaard Uitgeverij): Ken Follett schreef zijn roman De Pilaren van de Aarde over de bouw van een kathedraal in de jaren tachtig en geen uitgever wilde hem hebben. Toen het boek er eindelijk was, verkocht het tientallen miljoenen exemplaren wereldwijd. Dat zijn de soort getallen waarvan stripmakers dromen wanneer ze een bewerking aanpakken en die ook meteen de lat gevaarlijk hoog leggen. Wij zijn blij te melden dat Alcante die lat niet omverloopt. Meesterbouwer Tom trekt met zijn gezin door een besneeuwd en berooid twaalfde-eeuws Engeland. Hij droomt van een kathedraal, verliest zijn vrouw in de sneeuw en belandt uiteindelijk bij de vervallen priorij van Kingsbridge. Er wordt nog geen steen gelegd in dit eerste deel, maar de manier waarop Alcante Folletts duizend bladzijden comprimeert zonder dat het kraakt en hoe de tekeningen de ijzige middeleeuwse sfeer vatten, maken ons benieuwd naar wat er volgt.

De Oorlogen van Arran 2 – Dal’Darum (Daedalus): De wereld van Aquilon telt inmiddels meer dan honderd albums en Dal’Darum is het moment waarop tientallen verhaallijnen eindelijk samenkomen. De dwerg Redwin probeert de oude rassen te verenigen voor de grote slag tegen de menselijke koningen die hen willen uitroeien. Elfen, orks en dwergen rijden allemaal naar fort Karsonn. Jarry bestiert dit complexe veld met verrassend veel souplesse, al is er soms iets te veel vertelstem die uitlegt wat we al zien. Lorusso’s tekeningen zijn het echte wapen, ze zijn bloederig en dynamisch met een gevoel voor epische ruimte die de slagen hun gewicht geeft. Wie het universum kent wordt hier rijkelijk beloond. Wie er nieuw in stapt heeft misschien een extra leesavond nodig om alle namen op een rijtje te krijgen, maar dat is de prijs van een crossover die zijn lezers serieus neemt.

Suske en Wiske 383 – De zwijgende lier (Standaard Uitgeverij): Hades heeft een slim plan bedacht. Hij manipuleert Zeus om de goddelijke muze Zuale naar de boekhouding te verbannen, waarna alle artistieke inspiratie op aarde opdroogt en Jerom, wiens superkracht blijkbaar al doe tijd door haar liermuziek in bedwang werd gehouden, langzaam verandert in een nijdige barbaar. Hades helpt vervolgens vrolijk mee aan het onderzoek om zichzelf buiten verdenking te houden. Dat is eigenlijk een prima plotopzet voor een Suske en Wiske. De godenwereld wordt met plezier gemoderniseerd. Dionysos is dj, Barabas zoekt op Barboogle en Hermes neemt uiteindelijk de administratie over. Het geheel is vrolijker en slimmer uitgewerkt dan men van een rode reeks in 2026 misschien zou verwachten. Als kers op de taart sluit het album af met Jerom die blokfluit speelt.

Het bloed van de Valois 2 – De narrenmeester (Daedalus): Koning Frans I is in 1547 nauwelijks koud of timmerman Tassin krijgt een bizarre spoedklus: maak een levensechte pop van de dode koning, want het volk mag de leegte op de troon nog niet zien. De theorie van de twee lichamen van de koning – de sterfelijke en de eeuwige – in actie, voor het oog van gewone mensen die er niks mee te maken hebben. Intussen rekruteert de sluwe Catharina de’ Medici Tassins zoon als spion om de lakens tussen haar echtgenoot Hendrik II en diens machtige minnares Diana van Poitiers uit te pluizen. De saga zit slim in elkaar met de kleine Tassin-familie als spiegel van de grote dynastieke storm die eraan komt. Niet het meest originele concept, maar wel een met een angstaanjagend oog voor historisch detail en prachtig, barok tekenwerk. De Bartholomeusnacht laat nog even op zich wachten, maar u weet dat ze eraan komt.

Het huis op de klif (Dupuis): We moesten er even van bijkomen, van dit extreem charmante en nostalgische verhaal over de eind-dertiger Louis die na jaren met zijn gezin terugkeert naar de plek aan zee waar hij als kind iets bijzonders meemaakte. Wat dat is, beslaat negentig procent van het boek, anders gezegd: we kijken terug. Dat bijzondere gaat over een vrouw die alleen in een huis bovenop een klif woont. Er gaan allerlei verhalen over haar de ronde, en de lokale jeugd is doodsbang voor de vrouw. Ze praat namelijk met de doden op het kerkhof. Lang verhaal kort: het is allemaal heel lief en tegelijk een beetje spannend, vanuit de kleine Louis gezien. De tekeningen zijn dik in orde, een beetje Mooie zomers, een beetje De adoptie, een beetje Bruno Duhamel. Het verhaal van de kleine Louis eindigt teder; dat van de Louis van nu maakt het wel heel erg zoetsappig. Dat leunt namelijk op een zo toevallige ontmoeting, dat het verhaal geen einde had gehad als de auto voor de spoorwegovergang had moeten wachten. Of als een van de kinderen toch naar de wc had gemoeten.

Olympus Mons 9 – Voorzienigheid (Daedalus): Bij het lezen van deel acht vroegen we ons al hardop af of Bec en Raffaele een bevredigend einde uit hun mouw zouden kunnen schudden. Het antwoord is: niet helemaal. De teruggekeerde astronauten van planeet Farout blijken een mysterieuze ziekte te hebben opgelopen, of misschien wel een gave, en het lot van de mensheid hangt eraan. Het is groot, ambitieus en cinematografisch als altijd. Raffaele tekent schitterend. Maar negen delen aan mysteries stapelen en ze dan in 64 pagina’s netjes afhandelen is een taak die zelfs de beste scenarist op zijn tenen doet lopen en Bec struikelt hier en daar. De ontknoping voelt gehaast aan, sommige vragen krijgen een antwoord dat meer op een pirouette lijkt dan op een echte conclusie. De reeks doet ons nog steeds denken aan Lost. Dat geldt, helaas, ook voor het einde.

Daemon 2 – De kinderen van Ares (Le Lombard): Daemon Hartensteen is een halfgod met een praktisch probleem: zijn vader is Ares en Zeus heeft hem vervloekt, zodat hij alleen menselijk blijft als gewone stervelingen hem dankbaar zijn. Voor een notoire misantroop is dat lastig. In dit tweede deel trekt hij naar het belegerde Thebe, waar een bende barbaren die zichzelf “de kinderen van Ares” noemen de boel terroriseren. Zijn geestelijke broers, maar dan zonder de remmen. Daemon kan letterlijk door hun ogen kijken en ziet enkel slachtpartijen. Bij hemzelf ook een beetje, eerlijk gezegd. Toulhoat en Guillo tekenen en kleuren dat alles met het soort visueel geweld waar je achterover van valt. Het scenario bungelt hier en daar een beetje achter de plaatjes aan, maar als er toch een halfgod moet zijn die zijn eigen vader te lijf gaat, mag het er gerust zo spectaculair uitzien.

Prometheus 22 – Fundamenten (Daedalus): Christophe Bec kondigde Prometheus ooit aan als een zesdelig verhaal. Dat was in 2008. We zijn nu aan deel tweeëntwintig, er volgt nog een derde cyclus, een prequel en verrek, ook nog een sequel. Bec is duidelijk van plan ons allemaal te overleven. Tekenaar Jean Diaz is intussen de vierde man achter het tekenplank en hij levert degelijk en soms ronduit vertigineus werk af, zeker in de aanval op de Haïtiaanse citadel. Het verhaal zelf raast zoals gewoonlijk door meerdere tijdlijnen, lost niets op en creëert vrolijk nieuwe mysteries. Voor de trouwe fans: dit is uw lot, draag het waardig. Voor de rest: u bent op tijd begonnen aan uw pensioensparen.

XIII 30 – So Help Me God! (Dargaud/Standaard): Een autoritaire Amerikaanse president die verkiezingen wil vervalsen, een chip in het hoofd van de held, demonstranten met borden “Disband NATO!”. Sente had het scenario ook gewoon uit de krant kunnen overschrijven. Dat dit allemaal in maart 2026 verscheen is ofwel heel goed getimed ofwel heel onthutsend vooruitziend. Jason MacLane overleeft ondertussen twee aanslagen, een haai en zijn eigen vrouw. Dit is XIII op zijn best: schaamteloze, strakke politieke pulp die u achteraf het gevoel geeft dat u iets geleerd heeft over de wereld, terwijl u dat natuurlijk helemaal niet heeft.

De 5 Rijken 11 – Echt Vallen (Daedalus): We herhalen hier zonder enige gêne dat De 5 Rijken ronduit de beste reeks is die uitgeverij Daedalus uitgeeft. Dit elfde deel is de voorlaatste van de tweede cyclus, die zich afspeelt in het rijk van de aapachtigen. De verhaallijnen worden zacht maar onverbiddelijk naar hun conclusie getrokken. Na de verwoestende brand in het paleis heeft aanvoerder Alissa de handen vol, zakt vechtersbaas Thori in een diep dal na een mislukking en Keona en Yero verdrijven de verveling op een wijze die wij u niet zullen verklappen. Lewelyn en Lereculey leveren zoals steeds subliem werk middels een scenario met de diabolische efficiëntie van de beste televisieseries en tekeningen die consistent het niveau van het allergrootste aanraken. Dit deel is iets meer een overgangshoofdstuk dan zijn voorgangers, maar wie zeurt er over een schakelpagina als de rest van het boek zo magistraal is? Dertig delen zijn gepland. We zullen er zijn.

De Helden van Amoras 3 – Cross Road Blues (Standaard Uitgeverij): Bobbie Mukendi speelt gitaar in een bruin café in het dystopische Antwerpen van 2047. Hij doet dat zo slecht dat de stamgasten openlijk spreken over zijn instrument en zijn achterste. Na een nachtelijke ontmoeting bij een spoorwegovergang is hij plots een virtuoos. Juist, het verhaal van Robert Johnson, de blueslegende die zijn ziel aan de duivel verkocht, maar dan in de Amoras-versie met een echte sinistere man in een hoed met rode glazen die het contract komt innen. Suske, Wiske en Jerom duiken het verhaal in.  Suske vliegt door ramen omdat hij deuren te conventioneel vindt, Jerom deelt rake klappen aan wie ze verdient en Wiske probeert het allemaal een beetje bij te sturen. Scenarist Kristof Berte neemt het over van Marc Legendre en levert een donker, vlot en grappig verhaal dat het Amoras-universum goed aanvoelt. Cambré tekent het zoals alleen hij dat kan. Een geslaagde wissel, al zullen we Legendre pas echt missen of niet missen als we deel 4 zien.

Space Reich 5 – Kosmos in het bloed (Daedalus): We waren al wat ambivalent over de eerste delen, in deel 5 stapelt scenarist Nolane er nog een schepje bovenop. De nieuwe fuhrer Rudolf Hess droomt van een nazi-basis op de maan. De Amerikanen willen hem natuurlijk voor zijn. De Gaulle stuurt een suïcidemissie om een en ander te voorkomen, terwijl Ian Fleming (die ja) ondertussen Europa adviseert. Oh en wacht, de eerste Duitser in de ruimte blijkt een mislukte dwerg in een veel te groot pak. Op dat moment weet je dat Nolane zichzelf volledig heeft overgegeven aan het absurde en dat hij daar vrede mee heeft. Tekenaar Nikolic levert degelijk werk. Of de reeks ooit aankomt op die maan weten we niet, maar de weg erheen blijft vermakelijke pulp van het slechtste soort. Dat is een compliment.

De Twaalfde Man (Silvester): Scenarist Kris heeft een groot hart voor zijn geboorteregio Bretagne en voor het voetbal, maar in De Twaalfde Man wil hij net even te veel ballen tegelijk in de kruising jagen. We volgen Kevin, een overenthousiaste ballenjongen en superfan van Stade Brestois die zijn club van het faillissement wil redden door geld te bedelen bij zijn vermeende neef Sylvester Stallone. Kevin is, zoals we dan zeggen, anders geaard. Zijn pad kruist ook nog eens dat van een bende stuntelige, ontslagen arbeiders die net een overval hebben gepleegd. Het levert een nogal schizofrene mix op tussen een sociaal-economisch drama en een absurde Hollywood-parodie, waarbij Kris regelmatig van de hak op de tak springt. Gelukkig is er Emmanuel Michalak. Zijn dynamische, semi-realistische tekenstijl en de heerlijke karikaturale koppen redden de wedstrijd. Geen absolute topscore, wel een vermakelijke bekerwedstrijd.

De Rode Ridder 290 – Jacht in het verleden (Standaard Uitgeverij): Johan zit vast in het verleden en dat verleden laat niet af. De Ark van Noach zinkt, een primitief volk wil hem offeren aan hun god Qun en een bezeten schurk met een sikkel die naar bloed dorst drijft zijn meester tot nietsontziende slachtingen. De tijdreisformule die de reeks inmiddels een paar albums hanteert geeft de makers de vrijheid om Johan telkens in een ander tijdperk te proppen. Dat maakt de verhalen avontuurlijker maar ook willekeuriger. Alsof de plot van episode tot episode wordt uitgevonden naargelang het decor. Merlijn weet meer dan hij zegt, de dochter van de vijandelijke hoofdman redt Johan net op tijd, de sikkeldrager wordt bezeten en onberekenbaar. Het zijn vertrouwde bewegingen die hier correct maar zonder verrassing worden uitgevoerd.

Kattenplaneet – De Katten 3 (Daedalus): Ratten overspoelen Europa. De zelfverklaarde kattenkoningin Bastet vlucht met haar bonte gezelschap naar New York. Daar aangekomen wordt het Vrijheidsbeeld belegerd door knaagdieren en blijken de mensen vrijwel verdwenen. De weinige overlevenden die zich verschansen in de wolkenkrabbers miauwen weliswaar veel, maar bijten weinig. Een gegeven dat de auteurs terecht als dramatische motor gebruiken. In dit slotdeel van de trilogie, gebaseerd op Bernard Werbers romancyclus, leveren scenarist Pog en tekenaar Naïs Quin 128 pagina’s apocalyptisch kattenspektakel af. Het is de vertrouwde Werber-mix van een groot avontuur met een filosofisch sausje en veel sympathieke viervoeters. Wie de eerste twee delen in de kast heeft staan wordt hier beloond met een bevredigend einde. Wie Werber altijd wat te eigenaardig vond: daar is niets aan veranderd.

Malefosse 22 – Zwerversgeluk (Daedalus): In 1595 wordt een monnik wordt vermoord met in zijn zak documenten die koning Hendrik IV flink in de penarie kunnen brengen. De Franse ambassadeur stuurt een agent naar Savoie om de zaak te onderzoeken. In Savoie loopt die agent, uiteraard, Gunther en Pritz tegen het lijf. Zo werkt Malefosse nu eenmaal, iedereen loopt iedereen altijd toevallig tegen het lijf. Het Frans-Spaanse machtsgekonkel aan het pauselijke hof slingert als een dronken ambassadeur door het verhaal en de dialogen klinken oubollig op een manier die we ondertussen innig gekoesterd hebben. De intrige is inmiddels zo complex dat je de vorige eenentwintig delen erbij moet houden. Daarom bewaren we ze dan ook allemaal keurig in de kast.

Vlucht door de Tijd 3 – De tijd van de Warbirds (Dupuis): Lucie en Dunk proberen vanuit 1917 terug naar 2024 te vliegen maar belanden in 1944, pal in een formatie B-17 bommenwerpers boven Zuid-Frankrijk. Ze overleven, vinden hun verborgen F-18 terug in een grot dankzij de Résistance en staan dan voor een probleem dat ieder tijdreizend echtpaar ongetwijfeld herkenbaar voorkomt: de nazi’s mogen de toekomstige technologie niet in handen krijgen. “In het uiterste geval moet ‘t vernietigd worden.” Zeg dat maar tegen je enige ticket naar huis. Jolivet tekent het allemaal met de enthousiaste nauwkeurigheid van iemand die van vliegtuigen houdt en dat ook wil laten zien. Alles klopt tot op de nitjes. Luchtige tijdreisstrip met historisch vliegtuigplezier, vlot verteld en zonder existentiële pretenties. Prima.

Krijgsheren 1 – Patton (Daedalus): George S. Patton was ervan overtuigd dat hij de reïncarnatie was van een Napoleontische grenadier. Trouwens mogelijk ook van een Romeins legionair, hij had nog niet helemaal beslist. Dat soort zelfbeeld past bij een man die met gepolijste helm en een Colt met ivoren greep de Ardennen introk en zijn mannen toebeet: “Je wint geen oorlog door te sterven voor je vaderland; je wint een oorlog door ervoor te zorgen dat de schoft aan de overkant voor zijn vaderland sterft.” Pécau, die scenario’s uitspuwt met ongeveer dezelfde snelheid als Patton zijn tanks vooruitschoof, opent hiermee een nieuwe reeks over historische krijgsheren. Degelijk getekend, vlot verteld, een weinig verrassend maar overtuigend portret van een man die makkelijker te bewonderen was van ver dan van dichtbij. Volgende delen: Attila en Lawrence van Arabië. Pécau heeft duidelijk een type.

Tristan 20 – De hemelse wolvin (Casterman): In het Rome van 1440 woedt de pest. Paus Eugenius IV verschanst zich in de Engelenburcht en zijn plan om de oosterse en westerse kerken te verzoenen via een spektakelvoorstelling wordt gedwarsboomd door een spionne met talent. Dat is Angèle de Waldo, musicante en agente van een genootschap dat de kerkunie liever dood ziet dan leven. De intrige is aangenaam maar voorspelbaar. Een mislukte aanslag, valse schuldige, ontsnapping. De historische documentatie is stevig en Néjib weet zijn setting geloofwaardig neer te zetten. Solide, zonder ambitie om meer te zijn dan een degelijk historisch avontuur. Wie een echte goede middeleeuwse strip wil lezen, begint best bij Malefosse.

Utopie 2 (Standaard Uitgeverij): We schreven al bij het eerste deel dat dit concept zo oud is als 1984, maar dat we ons daar als goede lezers niet aan storen zolang het goed verteld wordt. In dit tweede deel vlucht Will Jones opnieuw. Hij wordt heropgevoed en gemarteld (door een mevrouw die verdacht veel weg heeft van prinses Beatrix), ontsnapt via een geveinste dood en belandt op weg naar Mars. Dat klinkt als veel plot en dat is het ook, maar Rodolphe goochelt er handig mee. De vraag die na twee delen steeds pregnanter wordt is wat de reeks te zeggen heeft dat Orwell, de Wachowski’s of Philip K. Dick ons niet al eerder en indringender hebben verteld. Tot nog toe is het antwoord: weinig. Maar het leest vlot weg en Mars belooft op zijn minst een fris decor.

Obrigan – De eed van de druïden 1: Sap, bloed en tranen (Daedalus): In een oninneembare citadel aan de grens van twee koninkrijken liggen 49 soldaten dood. Er is één overlevende en die is volledig gek geworden. De omstandigheden zijn onverklaarbaar en de timing is rampzalig, want de noordelijke koningen wachten op een excuus voor oorlog. Obrigan is meester druïde en van een heel ander kaliber dan Panoramix. Hij wordt met zijn hulpjes op onderzoek gestuurd in een whodunit in dark fantasy-kleren. Zo ontwikkelt zich een bonte mix tussen De naam van de Roos, Lord of the Rings en The Witcher. De wereld voelt dicht en doorleefd aan, wat niet toevallig is aangezien het album een stripbewerking is van een eigen roman van scenarist Peru. Dat merk je aan de manier waarop informatie gedoseerd wordt en het universum geleidelijk aan zijn contouren krijgt. Goux tekent het met een zware, rijke streek en een gevoel voor sfeer dat het Woud (er is altijd een woud) werkelijk dreigend maakt. De personages zijn voorlopig nog wat schematisch, maar de opzet houdt stand. Een veelbelovend begin van een trilogie.

Cartagena (Le Lombard): Hermann tekende de laatste pagina’s van dit album terwijl hij al ernstig ziek was. Op 22 maart overleed hij, 87 jaar oud. Cartagena is zijn laatste werk en dat maakt recenseren ervan een enigszins ongemakkelijke bezigheid. U wil niet dat het klinkt als een necrologie, maar u wil de man en het boek ook recht doen. Gelukkig doet het boek dat zelf. Alvaro, twintig jaar, wil sicario worden voor het kartel van El Cocho in een door drugshandel verziekt Cartagena. Felix Garzon, flik en vader, heeft hem in het vizier. Geen verrassend concept, maar Yves H. geeft het verhaal een draai die u niet verwacht en Hermann tekent het met directe kleur en ruim gebruik van grijs. Sober, precies, zonder poespas. Wat wij eerder in de KVS niet altijd even vriendelijk over dit vader-zoonkoppel schreven was niet altijd onterecht, maar dit is het bewijs dat ze op hun best formidabel waren. Een waardig afscheid.

Klaw 8 – Tegenaanval (Diedeldus): In Klaw vertegenwoordigen de tekens van de Chinese dierenriem bijzondere krachten die gedeeld worden door uitverkoren mensen en dieren, die samen de Dizhis vormen. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, want de makers slagen er al acht delen in om dit complexe universum overzichtelijk en spannend te houden. In dit deel barst de oorlog los, maar niet op het verwachte slagveld. Het is het wantrouwen binnen de Dizhis zelf dat de boel doet knappen. Hoofdpersonage Ange ontsnapt, maar weet niet meer wie hij is  en iemand anders loopt intussen vrolijk rond met zijn gezicht en zijn identiteit. Dat is het soort plotwending waarvoor we hier ten huize 9e kunst de trap af rennen om het aan elkaar te vertellen. Wie nog niet begonnen is aan deze reeks heeft acht albums achterstand goed te maken. Maak u geen zorgen, het is de moeite waard.