Wat de Lage Landen kunnen leren van een Brits rapport
Dit voorjaar verscheen een rapport uit het Verenigd Koninkrijk dat weinig aandacht kreeg buiten de eigen stripkringen, maar dat iedereen die het beeldverhaal een warm hart toedraagt zou moeten lezen. Het UK Comics Creators Research Report 2026, samengesteld op basis van een enquête onder 689 Britse stripmakers, schetst een beeld dat tegelijkertijd vertrouwd en ontluisterend is. Het beschrijft een medium dat cultureel bloeit, maar waarvan de makers niet kunnen leven. Van de traditioneel gepubliceerde makers verdiende 89% minder dan het Britse minimumloon aan hun stripwerk. Bijna driekwart had een bijbaan. Eén op de acht ontving een uitkering.
Dat is vrij schokkend, maar wie in de Lage Landen werkt aan of schrijft over strips herkent de patronen onmiddellijk.
Het paradepaardje dat niet mag eten
De Nederlandse boekenmarkt draaide in 2024 een bruto-omzet van 690 miljoen euro, het tiende groeijaar op rij. Of strips en graphic novels daarbinnen als aparte categorie groeien valt niet uit de verkoopcijfers te halen, KVB Boekwerk splitst het genre niet zo fijnmazig uit. Wel meetbaar is hoe Nederland internationaal scoort. Aimée de Jongh ontving tweemaal de Japan International Manga Award en werd drie keer genomineerd voor de Amerikaanse Eisner Awards. Barbara Stok wordt in meer dan twintig landen vertaald. De Nederlandse strip is een succesvol exportproduct en de overheid is er trots op, zolang ze er niet voor hoeft te betalen.
Want ondertussen publiceerde de Kunstenbond in 2023 de resultaten van de Grote Stripmakers Enquête, opgezet door diezelfde Aimée de Jongh. De conclusies waren vernietigend: minder dan één op de vijf stripmakers kan leven van het maken van strips. Twee derde verdient onder het minimumloon van 25.000 euro bruto per jaar. Meer dan een derde verdient zelfs minder dan 2.000 euro bruto per jaar. Met het werk waar de stripmaker de meeste tijd instopt, wordt het inkomen niet verdiend.
De Jongh was er klip en klaar over: “De makers van internationaal gerenommeerde graphic novels worden in de Nederlandse media volop geprezen, als paradepaardje van de Nederlandse cultuur. Maar enkele pagina’s later staan er strips of cartoons geprint, waar de media zelf maar een schijntje voor over hebben. Dat is hypocriet en schandalig.”
Dat was 2023. Sindsdien is het in Nederland opvallend stil gebleven.
Hoe het in het VK wel werkte
Het Britse voorbeeld is een goede spiegel. Het verschil tussen Nederland en het VK zit niet primair in geld of beleid. Het zit in wat er gebeurde nadat de enquêteresultaten op tafel lagen.
In het VK leidden de schokkende uitkomsten van de eerste grote stripmakersenquête in 2020 tot actie. Een groep makers – waaronder Comics Laureate Hannah Berry – richtte de Comics Cultural Impact Collective op, kortweg de CCIC. Een Comics Laureate is een door de overheid of een culturele instelling benoemde ambassadeur voor het stripmedium, enigszins vergelijkbaar met onze Stripmaker der Nederlanden, waarover later meer.

Dit collectief ging zich niet bezighouden met festivals organiseren noch functioneerde het als subsidieloket. Het werd een permanente belangenorganisatie met een duidelijke agenda: de stripsector zichtbaar maken voor de mensen die er besluiten over nemen.

De aanpak was methodisch. De CCIC verzamelde onderzoeksdata, vormde een coalitie van uitgevers, festivals en beroepsverenigingen en klopte aan bij de Arts Council England. Ze presenteerden hun bevindingen en de Arts Council England noemde het een ‘compelling case for comics funding’. ACE richtte een interne werkgroep op en begon actief contact te zoeken met makers en organisaties. Stap voor stap, zonder grote doorbraak van bovenaf. Een lobby met data en de kracht van herhaling.
Het werkte. Begin 2026 ontving de CCIC een projectsubsidie van de Arts Council England, bestemd voor een fair pay-charter voor stripmakers, sectorale rondetafelgesprekken en de ontwikkeling van een nationaal online platform. Tegelijkertijd riep de CCIC de overheid op om 1,5 miljoen pond vrij te maken voor een UK Comics Fund, onderbouwd met marktdata, culturele impact en concrete plannen en medeondertekend door tientallen uitgevers, organisaties en makers.
Die volgorde is essentieel en gemakkelijk over het hoofd te zien. Eerst organiseren, dan onderzoeken, dan agenderen, dan financieren. Niet andersom. Zonder de CCIC geen enquête van deze omvang. Zonder de enquête geen gesprek met Arts Council England. Zonder dat gesprek geen subsidie, geen fair pay-charter, geen platform. Het begon niet met een overheid die wakker werd, het begon met makers die weigerden te wachten tot dat gebeurde.
Wat de Lage Landen wel degelijk hebben en wat ontbreekt

Het is ook niet zo dat er nooit iets geprobeerd is. Jean-Marc van Tol en Hanco Kolk voerden jarenlang een vrijwel eenzame kruistocht voor meer erkenning en betere betaling voor stripmakers, zonder organisatorische rugdekking of institutionele steun. Zij zijn niet de enigen, de geschiedenis van de Nederlandse stripwereld kent meer van dit soort individuele pogingen. Het patroon is steeds hetzelfde: iemand trekt aan de bel, er ontstaat kortstondig beweging en daarna sterft het langzaam uit bij gebrek aan structurele opvolging. De mensen faalden niet, maar er was geen organisatie die het vuur brandend hield.
Nederland en België staan niet met lege handen. Het Nederlands Letterenfonds heeft zijn regelingen recent herzien, en dat verdient erkenning. Makers van graphic novels en illustratoren kunnen per 2026 projectsubsidies aanvragen via een speciale beeldverhaalronde, met tot veertigduizend euro beschikbaar voor projecten van twee jaar of langer. Dat is serieus geld en een stap in de goede richting.
Maar één aanvraagronde per jaar – de ronde opende op 2 februari 2026 en sloot op 2 maart, de volgende volgt in 2027 – is geen structureel beleid. Het is een opening, geen infrastructuur. Wie de deadline mist of net begint, wacht een jaar. Een sector die groeit, verdient een fonds dat meebeweegt en niet eens in de zoveel tijd een luikje opentrekt.
Er is bovendien een wezenlijk verschil met hoe het in het VK werkt en het is niet enkel een financieel verschil. Het zit in de manier waarop de sector zichzelf organiseert, of dat juist nalaat.
De enige Nederlandse organisatie die zich in het verleden heeft voorgestaan op een rol als vertegenwoordiger voor de sector, is het Stripschap, opgericht in 1970 en met zo’n duizend leden de oudste en grootste stripvereniging van Nederland. Na de laatste ledenvergadering telt het bestuur nog slechts twee leden. Het blad verschijnt, de website staat er, maar van een actieve en structurele belangenbehartiging of lobby is feitelijk nooit sprake geweest. Het Stripschap is een vereniging van stripliefhebbers, geen beroepsorganisatie en dus ook geen potentiële Nederlandse evenknie van de CCIC.
De Kunstenbond deed in 2023 uitstekend werk met de enquête, maar is primair een vakbond voor alle creatieve professionals. Strips zijn er één post op een lange agenda. En de Stripmaker der Nederlanden – sinds 2017 de Nederlandse equivalent van de Britse Comics Laureate, momenteel in de persoon van Jan Vriends – vervult primair een ambassadeursrol naar publiek, onderwijs en media. Waardevol, maar fundamenteel anders dan hoe Hannah Berry haar laureaatschap invulde. Zij was er als politiek platform om de sector te organiseren en te agenderen. Het instrument bestaat, alleen is het de vraag is of het ook zo wordt ingezet.
Het Franse model: bewondering als alibi

Beide rapporten – het Britse en de Nederlandse enquête – wijzen naar hetzelfde aspiratiemodel: Frankrijk. Daar is de strip grondwettelijk verankerd als le neuvième art, de negende kunst (mooie naam). Het Centre National du Livre ondersteunt de volledige keten (makers, uitgevers, boekhandels, bibliotheken) via gelaagde auteursbeurzen, belastingvoordelen voor uitgevers, festivalsubsidies en een internationale makersresidentie in Angoulême. Het resultaat: Frankrijk domineert de Europese stripmarkt met een marktaandeel van ruim veertig procent.
En toch heeft het Franse model zijn eigen problemen. Het Angoulême-festival kampt inmiddels met een ernstige bestuurscrisis, inclusief boycots en publiek wantrouwen over macht en transparantie. Bewondering voor het Franse model mag niet verworden tot een alibi om zelf niets te doen. De les uit Parijs is niet dat subsidie alles oplost. De les is dat structurele erkenning in beleid, in onderwijs en financiering de randvoorwaarden schept waarbinnen makers kunnen werken en overleven.
Die erkenning ontbreekt nog altijd in Nederland en België. Dat de Lage Landen geografisch op een steenworp afstand van de Europese striphoofdstad liggen maar institutioneel in een andere wereld leven, is geen toevalligheid. Het is het gevolg van een jarenlange keuze om de strip te behandelen als een leuk randfenomeen in plaats van als volwaardige cultuurvorm.
Het journalistieke gat en de rol van dit platform
Het Britse rapport signaleert nog iets dat in de Lage Landen minstens zo herkenbaar is: het stelselmatige verdwijnen van stripjournalistiek. Zonder kritische infrastructuur zijn strips afhankelijk van sociale media-algoritmes voor hun zichtbaarheid. Recensies verdwijnen, onafhankelijk werk van zelfstandige makers buiten de grote uitgevers om vindt zijn publiek niet en makers krijgen geen weerklank die hen helpt voortbestaan.
9e Kunst, waar u dit relaas nu gelukkig leest, bestaat precies om dat gat te vullen. Net als Stripgids en Stripschrift, die al langer een duit in het zakje doen. Maar ook deze platforms draaien op passie en vrijwillige inzet, dezelfde passie die het rapport omschrijft als tegelijkertijd de motor en de valkuil van de sector. De maker die strips maakt omdat hij het niet kan laten. Het platform dat over strips schrijft om dezelfde reden. Dat is mooi, maar het is geen businessmodel. En het is zeker geen cultuurbeleid.
Wie dan, en hoe?
Laten we eerlijk zijn over wat er in de Lage Landen ontbreekt. Niet geld – althans, niet alleen geld. Wat ontbreekt is een collectief dat de sector vertegenwoordigt zoals de CCIC dat in het VK doet. Permanent, gefundeerd op data en met een agenda die verder reikt dan het volgende festival of de volgende subsidieronde.
De vraag is wie dat collectief vormt en hoe. Het antwoord van de CCIC is instructief: begin niet met een koepelorganisatie. Begin met een coalitie van mensen en partijen die er al mee bezig zijn en geef die coalitie één gedeelde agenda. Die coalitie bestaat hier al in embryonale vorm. De Kunstenbond heeft de juridische expertise en de sectordata. Enkele relevante onafhankelijke uitgevers zijn zichtbaar betrokken bij het ecosysteem en hebben er belang bij dat makers kunnen overleven. De Nieuwe Garde – een initiatief van 9e Kunst zelf – liet zien dat een grassroots beweging van jonge makers snel aan kracht wint. Van een anthologie en festival naar een uitnodiging voor het staatsbezoek van het koningspaar in België in amper twee jaar, mede mogelijk gemaakt door Pictoright, het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en de gemeente Zwolle.
Maar de Nieuwe Garde is primair een platform voor makers, geen belangenorganisatie. En 9e Kunst is primair een journalistiek platform, geen lobbyclub. Toch heeft een platform als dit een rol die verder reikt dan recenseren. Journalistiek over de sector, haar structuur, haar economie en haar blinde vlekken, is een vorm van belangenbehartiging, ook als het niet zo heet. Het Britse rapport werd mede mogelijk gemaakt doordat er platforms waren die de bevindingen konden verspreiden en van context konden voorzien. 9e Kunst kan dat hier.
Maar dan moet er ook iemand zijn die de gesprekken die dit soort stukken losmaken daadwerkelijk voortzet en zo voorkomt dat ze na drie dagen alweer uitdoven. Gesprekken met fondsen en beleidsmakers, met uitgevers en met het publiek. De CCIC begon als een handvol mensen met een gedeelde frustratie en een spreadsheet. Wat hen onderscheidde van de zoveelste werkgroep was dat ze besloten de data niet voor zichzelf te houden maar ermee naar buiten traden naar de Arts Council England en naar The Bookseller. Naar iedereen die maar wilde luisteren.
Een vergelijkbare beweging in de Lage Landen zou beginnen met drie concrete stappen:
- Herhaling en uitbreiding van de Kunstenbond-enquête uit 2023, ditmaal ook in Vlaanderen en met gerichte vragen over subsidietoegang, AI-impact en platformuitbuiting. Zonder actuele data is er geen geloofwaardig gesprek met beleidsmakers.
- Eén gedeeld overlegorgaan van bestaande partijen. Een overleg met De Kunstenbond, Pictoright, relevante uitgevers, festivals en platforms als 9e Kunst en de Nieuwe Garde. Een orgaan dat niet vergadert om te vergaderen of te netwerken, maar om een concrete agenda op te stellen en die te verdedigen bij het Nederlands Letterenfonds, Literatuur Vlaanderen en de ministeries van OCW en Cultuur.
- Zichtbaarheid naar buiten. Het Britse rapport haalde The Bookseller en alle nationale kranten. De Kunstenbond-enquête schampte de media even en verdween daarna. Als de sector structureel aandacht wil, moet ze daar structureel om vragen.
Is dat de rol van 9e Kunst? Deels. We zijn geen vakbond en geen fondsenwerver. Maar we zijn wel in staat om de goede vragen te stellen, de juiste mensen bij elkaar te brengen en het gesprek gaande te houden dat elders niet wordt gevoerd. De vraag stellen wie het zou moeten doen is al een begin. En misschien is dit artikel daar een eerste stap in.
[De illustraties in dit artikel komen uit het originele UK Comics Creators Research Report 2026]
