Artikelen

Het misverstand Homerus: Waarom de stripversie van de Odyssee bijna altijd strandt

Nausicaa box setHet meisje in Nausicaä of the Valley of the Wind, een van de invloedrijkste manga’s uit de geschiedenis, draagt haar naam verre van toevallig. Hayao Miyazaki vernoemde zijn heldin direct naar de Phaeakische prinses uit boek VI van de Odyssee, het meisje dat een schipbreukeling (Odysseus) opvist van het strand en hem meeneemt naar het paleis van haar vader. Toch staat er geen letter Homerus in Miyazaki’s epos. Er staat alleen een naam, ergens diep in de fundamenten gemetseld. Zo verspreidt de Odyssee zich door de negende kunst, als los materiaal dat opduikt waar het een auteur toevallig van pas komt.

Er verschijnen dit jaar, meeliftend op de golven van Christopher Nolans verfilming, twee nieuwe Franse verstrippingen van het epos en er bestaan er ondertussen tientallen, verspreid over zeventig jaar en drie continenten. Helaas doet vrijwel geen van al die albums iets met het materiaal dat de moeite van het navertellen waard is.

Matt Damon met rare hoed in de Nolan veriflming van de Odyssee (Universal)

Tegelijkertijd is het woord “odyssee” losgezongen van zijn bron en overal in de stripwereld terug te vinden, van een Vlaamse historische komedie tot een klemmend, waargebeurd vluchtelingenverhaal. Op die rafelranden gebeurt vaak het boeiendste werk. Dit is een onderzoek naar waarom de klassieke tekst de beeldzoekerij zo vaak verslaat en over die zeldzame keren dat het omgekeerde gebeurde. Dit is vooral geen braaf overzicht van wie Homerus het netst heeft nageboetseerd.

De lange rij van mislukkingen

Begin bij het begin. In het midden van de vorige eeuw bracht het Amerikaanse Classics Illustrated – de pedagogische aartsvader van elke schoolse literatuurverstripping – een Odyssee-nummer uit, getekend door Alex Blum. Het resultaat was niet meer dan een stijve plotsamenvatting in kille Golden Age-stijl. Het was gemaakt om huiswerk te vervangen, niet om de psyche van Odysseus te ontleden.

Het is een beproefd format dat sindsdien op verbazingwekkend veel plekken is herhaald zonder wezenlijke verdieping. Casterman deed het in 2010 en herhaalde de oefening in 2023 voor jonge lezers; Dark Dragon Books bracht het uit in Nederlandse vertaling binnen hun reeks Grote klassiekers uit de literatuur in strips en dit jaar sluit Nootilus – de kersverse imprint van Bamboo –  aan in de parade, met een uitgave die, strak getimed met de filmrelease, door de eerste recensenten typerend wordt omschreven als ‘vooral leesbaar en efficiënt’.

Al deze albums vallen te categoriseren als correct. Ze volgen Homerus braaf van Troje tot Ithaka, schetsen de Cycloop en de Sirenen exact zoals het prentenboek voorschrijft en laten werkelijk geen enkel spoor achter zodra je het boek dichtklapt.

Ergens tussen die correcte albums zit een reeks die haarfijn blootlegt waarom dit adaptatieproces zo verraderlijk is. De wijsheid van de mythes, de serie onder redactie van filosoof Luc Ferry, werd eerder op dit platform besproken (zoek er maar eens op) en kreeg terecht lof voor het dynamische tekenwerk en de actiegerichte vertelling. Maar de begeleidende essays van Ferry werden weggezet als zelfingenomen gebazel. Dat oordeel verdient verdieping, want het legt precies bloot wat er misgaat bij vrijwel elke verstripping die trouw probeert te zijn aan het origineel.

De Odyssee is geen plat avonturenverhaal met wat ethische wijsheid als toevoeging achteraf. De wijsheid zit in de vorm, in de manier waarop het verhaal springt tussen tijdlijnen, hoe Odysseus telkens een nieuwe versie van zijn identiteit formuleert voor vreemden en in de constante frictie tussen goddelijke wil en menselijk handelen. Zodra een strip die complexe structuur inwisselt voor een keurige, chronologische opeenvolging van monsters – met een theoretisch dossier achterin voor de leergierige lezer – vertel je niet langer de Odyssee. Je serveert slechts de inhoudsopgave.

Cosimo Ferri’s driedelige Odysseus (Dark Dragon Books) verdient een aparte vermelding, al is het maar om te tonen hoe extreem het spectrum aan de andere zijde reikt. Ferri verdiende zijn sporen met de historisch-erotische reeks Achilles, en zet die lijn moeiteloos door. Hij maakt schilderachtige, weelderige platen die minder over Homeros gaan dan over de vraag hoeveel bloot een uitgeverij acceptabel vindt. Het is het type album dat primair bestaat omdat de Odyssee rechtenvrij is en een goedkoop decor voor wie op zoek is naar een mythologische kapstok.

De drie keer dat het wél lukte, en waarom

Tussen alle correcte of ronduit platte pogingen staan drie werken die een wezenlijk ander pad kiezen. Niet geheel toevallig zijn het precies die albums waarin de makers begrepen dat trouw aan de tekst iets heel anders is dan trouw aan het verhaal.

Jacques Lob en Georges Pichard maakten tussen 1968 en 1974 hun Ulysse voor het tijdschrift Charlie Mensuel (later in kleur en in het Engels uitgegeven in Heavy Metal), door kenners nog steeds beschouwd als een absoluut meesterwerk. Lob pakt de klassieke ankerpunten (Polyphemos, Circe, de Sirenen, Calypso) en giet er een vernieuwende sciencefictionlaag overheen. De goden blijken technologisch superieure buitenaardse wezens en hebben geen mystieke krachten. De sturing komt van een beschaving die met de mensheid speelt zoals een kind met een mierenhoop. Dat is de chirurgische ingreep die een verstripping nodig heeft om te overleven naast het bronmateriaal. Lob observeert dat de Odyssee draait om macht die zich vermomt als het lot en vertaalt die macht naar een vocabulaire dat de lezer uit 1968 herkende. Pichards weelderige, libertijnse tekenstijl sluit daar naadloos op aan. Waar Ferri’s erotiek decoratief blijft, dient de sensualiteit bij Pichard het idee dat deze alien-goden de mensheid als hun persoonlijk speelgoed beschouwen.

Xavier Dorison en Éric Hérenguel gingen in Ulysses 1781 (Delcourt) nog een stap verder door het decor radicaal te verplaatsen. Hun kapitein Ulysses McHendricks keert niet terug uit Troje, maar uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Hij moet zich door een steampunkerig achttiende-eeuws Amerika een weg naar huis vechten. Het is dezelfde narratieve ingreep als bij Lob en Pichard, maar dan met de geschiedenis in plaats van sci-fi als voertuig. Het werkt om een reden die alles zegt over het bronmateriaal zelf. Homeros schreef zijn epos rond 800 voor Christus op over een mythisch verleden dat hij zelf al vierhonderd jaar terugplaatste. Hij projecteerde daar moeiteloos de ideologie, technologie en fantasie van zijn eigen tijd op. De Odyssee was vanaf haar geboorte al een anachronistische lappendeken, geen historisch archief. Een strip die zich angstvallig vastklampt aan ‘historisch correctheid’ van helmen en schepen is in die zin minder trouw aan Homerus dan een strip die net zo vrij met tijd en decor omspringt als de dichter zelf deed. Dorison en Hérenguel begrepen dat.

Dat brengt ons bij het derde album in dit rijtje, dat het nog ingrijpender aanpakt door bijna alles weg te laten.

Jean Harambat deed in 2014 met Ulysse, les chants du retour (Actes Sud) iets fundamenteel anders. Hij breekt het epos open, pakt enkel de laatste zangen over de thuiskomst op Ithaka en breekt de vertelling voortdurend open met hedendaagse stemmen. In plaats van een stoffige hervertelling laat hij gerenommeerde Franse oud-historici en filosofen aan het woord, maar evenzogoed willekeurige eilandbewoners van het huidige Ithaka en een lokale bibliothecaris. Waar Ferry’s essays als koude lappen tekst achteraan het boek staan, weeft Harambat al die reflecties rechtstreeks door de pagina’s heen. Het boek gaat daardoor evengoed over wat ‘thuiskomen’ vandaag de dag eigenlijk betekent, als over Odysseus zelf. Het werd geselecteerd voor het festival van Angoulême en genomineerd voor de Franse criticiprijs ACBD. Dat het nooit in het Nederlands is vertaald, is een gemiste kans. Het is het enige album dat snapt dat je een drieduizend jaar oude tekst niet eert door hem braaf te illustreren, maar door te tonen waarom hij nu nog steeds schuurt.

Deze drie werken werken zijn verbonden doordat ze zich weigeren te onderwerpen aan Homerus. Ze gebruiken hem. Dat verschil is precies waarom Age of bronze, Eric Shanowers onvoltooide reeks over de Trojaanse Oorlog, te boek staat als een triomf. Met alle hernieuwde publiciteit en het megasucces van Odyssey zal hij nu overigens wel flink balen dat hij Age of bronze nooit voltooid heeft. Shanower mepte de goden uit het script en liet zien hoe politiek, eer en logistiek in de Bronstijd werkten zonder goddelijk ingrijpen.

Voor de Odyssee heeft niemand dat op die manier gedaan en dat is begrijpelijk. De Ilias is in de kern een politiek oorlogsepos dat zich laat ontmythologiseren; de Odyssee is van voor tot achter doordrenkt van magie, monsters en een decennium aan goddelijke horden. Lob & Pichard en Dorison & Hérenguel, losten dat op door de antieke mythologie te vervangen door een eigentijdse fictie. Harambat loste het op door het bovennatuurlijke simpelweg weg te snijden en zich te richten op het enige universele element: de man die zijn eigen huis niet meer herkent.

‘Odyssee’, een woord dat zich heeft losgemaakt

Ondertussen voltrok zich op de achtergrond een tweede parallelle beweging met de term ‘odyssee’. Een ontwikkeling die losstaat van Homerus en misschien wel boeiender is dan alle letterlijke verstrippingen bij elkaar. Fabien Toulmé’s L’Odyssée d’Hakim (vertaalt in het Engels) is daar het krachtigste voorbeeld van. Dit is een pure documentaire strip over het waargebeurde relaas van een Syrische plantenkweker die zijn land en familie moet achterlaten en via Turkije, Griekenland en de Balkan naar Frankrijk vlucht. Toulmé’s ingetogen lijnwerk houdt uiterlijk vertoon bewust buiten de deur om ruimte te maken voor de rauwe getuigenis.

Het staat niet op zichzelf. Etenesh, L’odissea di una migrante van Paolo Castaldi vertelt een vergelijkbaar epos over een Ethiopische vrouw die via Soedan, de Sahara en Libische strafkampen Lampedusa bereikt. Dit soort kleinere werken bevestigen de trend dat zodra een stripmaker de fysieke en mentale vlucht van een mens documenteert hij/zij bijna instinctief naar dat ene woord grijpt.

Merkwaardig genoeg gebeurt exact hetzelfde bij historische volksverhuizingen. Strips over de Retirada bijvoorbeeld – de vlucht van Spaanse republikeinen naar Frankrijk in 1939 – krijgen stelselmatig hetzelfde etiket opgedrukt. Exil van Henri Fabuel en Jean-Marie Minguez wordt door de uitgever gepresenteerd als een “odyssee over de wegen van de ballingschap” en Marion Duclos’ Ernesto geldt in recensies steevast als de odyssee van een verbannen strijder. Het begrip functioneert hier volledig autonoom. Geen lezer of criticus die bij deze albums denkt aan Polyphemos of de Sirenen. “Odyssee” is het universele synoniem geworden voor een jarenlange, gevaarlijke tocht die de reiziger vanbinnen onherkenbaar transformeert. En dat is treffend genoeg precies waar de antieke Odyssee over ging, zonder dat iemand de referentie nog expliciet hoeft uit te leggen.

Het Nederlandse taalgebied bracht weliswaar geen spraakmakende, getrouwe Homerus-adaptatie voort, maar kent wel een heel eigen, populair gebruik van het woord. De Odyssee van Asterix (Uderzo, 1981) vertelt in de verste verte niets van Homerus na. Het is een reis naar het Midden-Oosten die Uderzo maakte als eerbetoon aan zijn overleden partner René Goscinny, die uit schroom voor politieke lading zijn helden nooit naar Israël stuurde. Uderzo noemde het achteraf het enige album dat hem makkelijker afging dan zijn overleden compagnon. De titel fungeert hier simpelweg als aanduiding voor een barre, bewerkelijke reis. Een generiek begrip dat door miljoenen lezers is geassimileerd zonder de antieke canon erbij te halen.

Augustus 2026 uitgave van “Da Vinci”

Zelfs in Japan keert dit patroon van opportunistische tie-ins en naamgeving terug. Rond de release van Nolans film publiceert Kadokawa in het tijdschrift Da Vinci een korte ‘comicalisatie’ door Nakahara Takaho. En de digest-reeks Manga de Dokuha (de Japanse variant op Classics Illustrated) bracht al eerder een gecombineerde Ilias/Odyssee-band uit. Een lezersreactie op die specifieke manga legt haarfijn bloot waar de visuele wrijving zit: de Ilias, met haar complexe goddelijke hiërarchie, las stroef, maar de Odyssee las weg als een eigentijdse shonen-manga; vlot, actiegericht en vermakelijk. Een heldenreis met een helder doel, een reeks beproevingen en een uiteindelijke thuiskomst is exact de mal die populaire fictie al drieduizend jaar hanteert.

Wat overblijft

Wanneer je deze twee stromingen naast elkaar legt, ontstaat een even fascinerend als ironisch contrast. De strips die krampachtig proberen te gehoorzamen aan Homerus mislukken daar bijna wetmatig in, omdat trouw zijn aan het plot iets wezenlijk anders is dan begrijpen wat dat plot betekent.

De strips die de naam odyssee juist loszingen van de antieke tekst en het bijvoorbeeld toekennen aan een Syrische vluchteling, een Spaanse balling of een Gallische held op zoek naar aardolie, raken vaak exact de zenuw waar Homerus het drieduizend jaar geleden over had. Over de mens die eindeloos onderweg is, zichzelf onderweg kwijtraakt en die via een omweg weer transformeert. Het zijn niet de albums met Cyclopen en Sirenen die Odysseus dicht naderen; het zijn de boeken waarin zijn naam niet eens valt.

Jean Harambat en het duo Lob & Pichard bewijzen dat het kan: Homerus eer aandoen binnen zijn eigen tekst, mits je de moed hebt om de schaar in het origineel te zetten. De rest van het alfabet, van Classics Illustrated tot Cosimo Ferri, demonstreert vooral hoe makkelijk een eeuwenoud epos verschraalt tot een catalogus van monsters in een mooi decor.

Odysseus zelf zou er waarschijnlijk fijntjes om hebben gelachen. Als meester van de list wist hij als geen ander dat een geslaagde reis niet draait om de plekken die je afvinkt, maar om wie je bent wanneer je uiteindelijk weer aan land stapt. De meeste van deze verstrippingen zijn helaas nooit voorbij de kust gekomen.