Screenshot
Strips

Barokke horror zonder handleiding in Deryn Du

In een grijs kustdorpje in Wales begin 20e eeuw spoelt een walvis aan die op gruwelijke wijze is toegetakeld. Het dier is duidelijk aangevallen, maar de wonden komen niet van een haai of andere roofvis en nog voor iemand daar sushi van kan maken beginnen de eerste verminkte lichamen op te duiken in het tot dan toe vredige dorp. Het is de opening van Guillaume Sorels Deryn Du en meteen de belofte van een gothic nachtmerrie in aquarel. Er is iets kwaadaardigs aangespoeld en het zal niet bij één kadaver blijven.

Sorel is hier in topvorm als Franse stripkoning van barokke horror. Hij schildert met directe aquarelkleuren die van de pagina’s spatten en alles in dreiging hullen. De gammele daken hellen scheef, enge bossen fluisteren geheimen en de zee gromt als een beest. Elke compositie voelt als een oud olieverfschilderij dat tot leven komt. Zijn personages hebben strakke kaken, doffe ogen en knokige handen, alsof ze zelf al half tot de wereld der geesten behoren. Dit is tekenen op topniveau, waarbij je blijft hangen in de platen, zelfs als je het verhaal allang kwijt bent. Sorel kan angst tekenen.

Maar dan de keerzijde. Het verhaal zelf hobbelt als een dronken raaf door de mist. Onze naamloze held is een boekenwurm die ronddwaalt terwijl het dorp implodeert onder een serie mysterieuze moorden. Kelen worden doorgesneden, mensen lijken uit het niets te verbranden en lichamen duiken in stukken gehakt op. De politie snuffelt wat lafjes rond en de dorpelingen wantrouwen elkaar als katten in een zak. In die kookpot van schuld en bijgeloof maakt Deryn Du haar entree.

Haar zwarte haar wappert terwijl ze een freaky pop in de hand houdt en macabere liedjes neuriet. Op de ene pagina wiegt ze teder, op de volgende spat de furie van het papier. Enkel onze hoofdpersoon lijkt haar te zien. Flashbacks suggereren een oud trauma – iets met brand, verraad en een dorp dat wegkijkt – maar nooit in een lineaire volgorde. Deryn is meer een verschijning dan een mens. Is ze een wraakgeest, een Keltische vloek of gewoon de verpersoonlijking van een collectief rot geweten? Zegt u het maar, want Sorel laat het bewust zweven.

Dat deed hij niet per ongeluk, blijkt uit zijn nawoord. Dit album is het resultaat van een zoektocht van zo’n twintig jaar, gevoed door een gesprek met Régis Loisel over hoe je angst in strips oproept. In literatuur en film bepaalt de maker het tempo, in een strip kan de lezer versnellen, terugbladeren en blijven hangen in één beeld. Sorel wilde onderzoeken hoe je in dat medium toch een crescendo van onbehagen en verrassing bouwt. Hij probeerde meerdere keren een scenario over geesten te schrijven en gaf telkens op, tot hij besloot nog één keer “echt” een ghost story te maken, diep geworteld in de Britse fantastische literatuur en film, die al jaren in zijn hoofd spookte.

Daar komt Arthur Machen bij, de Welshe schrijver die Sorel in het nawoord zijn grote geestverwant noemt. Machens werk is doordrongen van folklore, Keltische mythologie, hekserij en een verborgen oudere wereld naast de zichtbare. Sorel ziet het als zijn missie om, net als Machen, het mysterieuze en onverklaarbare te bewaren in een steeds rationelere wereld. Dat hij dingen niet uitlegt maar oproept, is dus programmatisch.

De walvis uit de openingsscène keert daarna vooral thematisch terug. Een enorm, onhandelbaar karkas dat aan het strand ligt weg te rotten terwijl iedereen erlangs loopt, veel explicieter kun je een rotte waarheid niet in beeld brengen. Het kadaver is de schuld van het dorp die letterlijk aanspoelt, vol in beeld, maar waarvan niemand weet wat ermee te doen. De raaf cirkelt daar continu omheen als een alziend oog. Steeds weer duikt hij op in kaders, als stille getuige die lijkt te weten hoe de puzzel in elkaar zit maar weigert het uit te leggen. Het is knap bedacht, maar Sorel laat het bij iconen en suggesties in plaats van bij een helder uitgewerkte spanningsboog.

Daarmee komen we bij het grote probleem of de grote charme, afhankelijk van je smaak. Sorel schrijft in zijn nawoord dat hij eerst geduldig rust en sereniteit wil creëren om “het fantastische tot zijn recht te laten komen”. Dat voel je.  De eerste hoofdstukken ademen idyllische kalmte, waarna de verstoring langzaam binnensijpelt. Alleen rekt hij dat zo ver op dat de spanning voor een deel weglekt. De opbouw kabbelt traag, pagina’s rekken sfeer, maar missen drive, en cruciale overgangen zitten vol mist. Dit is niet zozeer een klare whodunit, maar eerder een bewust arty farty uitwerking van één vraag: hoe wek je in stripvorm angst op zonder die plat uit te spellen?

Zo blijft Deryn Du uiteindelijk een grafisch juweel dat je met je ogen verslindt, maar je maag laat knorren van frustratie. Sorel blinkt uit in suggestie en struikelt over structuur. Koop dit boek direct voor de platen, maar verwacht van de plot vooral mist, echo’s en kraaiende raven.

Guillaume Sorel – Deryn Du. Standaard. 136 pagina’s hardcover. € 29,99.