Nieuwsbrief

Cromimi, Gerben Valkema
Artikelen

Bekende strips in een nieuw jasje: makkelijk verdienen of toch niet?

Neem een populaire stripfiguur, plaats die in een andere tijd of ruimte, laat er een andere tekenaar op los, et voilà: een succesvolle spin-off is geboren. Winst gegarandeerd! Maar … is het zo eenvoudig? Lukt de formule altijd? Wanneer ziet de lezer dit als commerciële uitmelkerij en wanneer als een verrijking van het universum dat hij al kent? We zoeken het uit.

De eerste vraag die we ons moeten stellen is: wat verstaan we in dit geval onder een ‘spin-off’? In strikte zin slaat de term op een verhaal of product dat is afgeleid van iets dat al bestaat; een stripserie die ontstaat uit een andere stripserie dus. Kenmerkend voor de spin-off is dat die in detail verder gaat op een element uit de originele stripreeks. Nevenpersonages krijgen bijvoorbeeld plots de hoofdrol in hun eigen reeks, zoals bij ‘Fanny K.’, een spinoff van ‘De Kiekeboes’. Spin-offs met de originele personages kunnen ook, maar dan verschuift de hele context: die strips spelen zich af in een andere tijd of op een andere locatie en ook het onderwerp verschuift. Dat is het geval bij ‘Amoras’, de spin-off van ‘Suske en Wiske’. Chronologisch kan een spin-off het vervolg zijn op het eerdere werk, maar soms gaat het om een prequel en wordt de jeugd van een personage in beeld gebracht of wat er vooraf ging aan de hoofdserie, zoals bij ‘De Kleine Robbe’ of ‘De jonge jaren van Thorgal’.

Bewerkingen waarin min of meer hetzelfde verhaal wordt verteld als in de oorspronkelijke reeks, vallen strikt genomen niet onder de noemer spin-off. Denk aan remakes, filmbewerkingen of games die van strips worden gemaakt. De term spin-off wordt ook vooral gebruikt bij producties die in serie gemaakt worden, al is het niet noodzakelijk dat zowel het oorspronkelijke werk als de spin-off een reeks vormen. Het geheel van aan elkaar gerelateerde producties die ontstaan via spin-offs, wordt aangeduid als een mediafranchise.

Teruggrijpen naar bestaande successen

Strips zullen wellicht nooit meer het prestige en de verkoopcijfers van de hoogconjunctuur net na de Tweede Wereldoorlog bereiken. Vandaag is er te veel concurrentie op de entertainmentmarkt: de aandacht van het potentiële publiek is versnipperd en er is een zeer groot aanbod aan games, series, films… Zoals er van romans een overaanbod is voor een slinkend publiek, zo geldt dat volgens sommigen ook voor strips. Successen zijn moeilijk te voorspellen en de risico’s zijn groot. Uitgevers wagen zich dus steeds minder aan nieuwe reeksen. Liever benutten ze optimaal datgene wat al succesvol is gebleken.

Om een ander – meestal ouder – publiek te bereiken, zoeken uitgevers de laatste jaren vaker hun heil bij een spin-off van de klassieke stripreeksen. Een bekend personage in een ander tijdperk of tekenstijl plaatsen is een ‘vertrouwde schok’ voor de lezer en een manier voor de uitgever om in één keer verschillende generaties aan te spreken. Maar spin-offs zijn op zich geen recent fenomeen. Nero was in eerste instantie een nevenfiguur in Marc Sleens ‘De avonturen van detective Van Zwam’, maar bleek zo populair bij (kranten)lezers dat de reeks zijn naam kreeg. De Smurfen, die wereldberoemd werden dankzij hun eigen strip- en tekenfilmserie, komen oorspronkelijk uit de strip ‘Johan en Pirrewiet’. In ‘De fluit met zes smurfen’ (1958), het negende album van deze reeks, duiken ze voor het eerst op. Of neem Popeye. Oorspronkelijk was hij een van de figuren uit de populaire stripreeks ‘Thimble Theater’ die voor het eerst verscheen in 1929. Hij werd het gezicht van de strip, die uiteindelijk ook naar hem zou worden genoemd.

Uitgevers wagen zich dus steeds minder aan nieuwe reeksen. Liever benutten ze optimaal datgene wat al succesvol is gebleken.

In 1962 verscheen een eerste spin-off van ‘Suske en Wiske’, met de populaire ijzersterke Jerom als hoofdpersonage. ‘Jerom, de gouden stuntman’ was vooral in Duitsland erg succesvol. In 2017 kreeg Jerommeke opnieuw een fikse update in de superheldenstrip ‘J.Rom’ door Bruno De Roover en Romano Molenaar. Ook ‘De Kleine Robbe’, de spin-off van Robbedoes, is een succesverhaal: deze versie is zelfs populairder dan de moederreeks en kreeg een eigen tv-reeks.

De Marsupilami, Cowboy Henk, Kriss van Valnor: er zijn talloze voorbeelden van figuren die onverwacht interessant en populair genoeg bleken om er een eigen strip aan op te hangen. Ook Marvel comics laat zich niet onbetuigd: de nieuwe spin-off van de ‘Black Panther’-comic is een familieaangelegenheid: de nieuwe reeks focust op Shuri, de zus van de held en heerser over het fictieve Afrikaanse land Wakanda.

In het verleden boekten Uitgeverij L, Don Lawrence Collection en Big Balloon al groot succes met de spin-offs van ‘Storm’: ‘Kronieken van de buitenring’, ‘Kronieken van de tussentijd’ en ‘De kronieken van Roodhaar’. De grootste voltreffer van Marvel was Wolverine, de superheld die oorspronkelijk een rol had bij ‘X-men’. Wolverine bewees een voldoende sterk personage te zijn om met gemak een eigen serie te kunnen dragen. Eind vorig jaar bracht Griffo het album ‘Jacht op een voetbal’ uit, een bewerking van en tegelijkertijd hommage aan het gelijknamige album van ‘Jommeke’. Strikt genomen is dit een herwerking van hetzelfde album, al heet het hoofdpersonage bij Griffo Jomme.

Erfgoed waarderen

Stripuitgeverijen willen graag hun ‘liggend kapitaal’ activeren, dus wat is er beter dan de schat aan bekende strippersonages een nieuw leven te geven? Om stripklassiekers te moderniseren en erfgoed te herwaarderen, in alle betekenissen van dat woord. Creativiteit is op zich niet dood. Er staan horden jonge striptekenaars te popelen om een eigen reeks te maken, maar uitgeverijen vinden het commerciële risico te groot. Commerciële motieven liggen uiteraard aan de basis van de vele reboots en spin-offs, maar dat betekent niet automatisch oude wijn in nieuwe zakken. Uitgeverijen moeten wel streng blijven waken over de kwaliteit en een nieuwe reeks de tijd geven om zich te kunnen ontwikkelen en een leespubliek voor zich te winnen.

Stripuitgeverijen willen graag hun ‘liggend kapitaal’ activeren, dus wat is er beter dan de schat aan bekende strippersonages een nieuw leven te geven.

Nostalgie en jeugdsentiment in combinatie met meer gewaagde tekeningen en scenario’s: je moet geen marketeer zijn om er een ‘win-win’-formule in te zien. Klassiekers zijn als een keurmerk: ze hebben hun traditie, hun brede bekendheid en ze maken deel uit van het collectieve geheugen. Maar er is lef nodig om ze ook succesvol naar een andere context te transponeren, met nieuwe scenario’s, een andere stijl en omgeving. Een spin-off vraagt vooral respect en grondige kennis van de eigenheid van de bronreeks, om het commerciële idee ook artistiek waardig in te vullen. Vaak zijn nieuwe tekenaars en scenaristen vereerd om met hun jeugdhelden aan de slag te gaan, zoals bijvoorbeeld Yves Sente bij ‘Blake & Mortimer’. Maar soms kennen stripmakers de bronreeks helemaal niet. Dat was zo voor tekenaar Jean-Marc Krings van ‘Fanny K.’. Tekenaar Fabio Bono zegt in dat verband: “Het kan ook een voordeel zijn om zonder al te veel achtergrondinformatie een vernieuwd personage in de wereld te zetten.”

Lezers reageren vaak heftig op een spin-off. Zij die met de oude reeksen zijn opgegroeid en er als volwassene wat op uitgekeken raakten, blijken vaak erg enthousiast. Trouwe lezers zijn vaak ontgoocheld en zelfs verontwaardigd als ze hun gekende, veilig omlijnde personage plots als een heel andere figuur in een heel andere omgeving zien opduiken. Het kan bevreemdend werken en de illusie van de besloten wereld die ze zo goed kenden aan diggelen slaan. Dat is zeker het geval wanneer de tekenstijl ook compleet verandert. Maar, zo argumenteren veel stripmakers, een reeks die niet met haar tijd meegaat, is bij het overlijden van de bedenker gedoemd om te worden vergeten. Tenzij je Hergé heet natuurlijk.

Brutaal Amoras

Het bekendste voorbeeld van een succesvolle spin-off uit de afgelopen jaren was ‘Amoras’. Bij de lancering, die gepaard ging met een nooit eerder geziene pers- en mediacampagne, waren de reacties op de zogenaamde ‘extra grit’, shock value en seksualisering van personages eerder sceptisch. “Willy Vandersteen draait zich om in zijn graf!”, schreven verontwaardigde fans. Maar is dat wel zo? Vandersteen liet zijn geesteskinderen immers in de loop der jaren ook mee evolueren met de tijd. De spin-off maakte het mogelijk om nieuwe terreinen te verkennen, ook al zaten de makers vast aan de wilsbeschikking van Vandersteen. Daarin staat onder meer dat Suske en Wiske nooit een relatie mogen krijgen met elkaar, en dat Lambik en Sidonia nooit met elkaar mogen trouwen, in welke wereld of tijd dan ook.

‘Amoras’ blijft volgens scenarist Marc Legendre en tekenaar Charel Cambré trouw aan de geest van bedenker Willy Vandersteen. “Mijn vader zou er niets op tegen hebben gehad”, oordeelde ook Helena Vandersteen, zich goed bewust van de mogelijkheden die een spin-off schept. “Amoras is brutaler, met meer geweld en gevloek en het loopt niet altijd goed af. Je moet het dus niet zien als een opvolger van de rode reeks van Suske en Wiske” benadrukt Johan De Smedt, story ninja van Standaard Uitgeverij. “De entourage en de personages zijn dezelfde, maar de omstandigheden van een dystopische, alternatieve toekomst bieden Suske en Wiske nu ook aan bij een publiek dat verandering wil.”

AmorasAmoras was ook een manier om het talent van Charel Cambré tot bij een groter publiek te brengen. Het geheel klopt: het volwassen scenario is goed in beeld gebracht, de strip komt tot leven. “Vooraf hadden Charel en ik gezegd dat we er na zes delen mee op zouden houden en dat was ook het plan van de uitgeverij”, licht Marc Legendre toe. “Maar terwijl we over andere projecten brainstormden, ontdekten we dat we nog heel wat ideeën hadden liggen voor ‘Amoras’. We zijn daarmee naar de uitgeverij gestapt en die wilde het een kans geven. ‘De Kronieken’ zijn een prequel: beweegredenen worden duidelijker, er worden verbanden gelegd en achtergronden geschetst. ‘Amoras’ heeft een fanbase weten op te bouwen en de lezers beschouwen de zesdelige reeks en ‘De Kronieken’ terecht als één geheel. Maar we willen het succes ook niet uitmelken. Dat krijg je sowieso als commentaar, maar ik denk dat we mogen zeggen dat we dat met ‘De Kronieken’ niet doen”, aldus scenarist Legendre.

Na de trilogie ‘De zaak Krimson’ werd het concept van de reeks gewijzigd. Vanaf deel vier vormt elk album in ‘De Kronieken van Amoras’ een afgerond verhaal, al blijft er steeds een link met de oorspronkelijke serie. Legendre en Cambré bouwden de wereld van Amoras verder uit, en dus spelen onder andere de Academie, Jérusalem, androïden en cyborgs in alle albums een rol.

Op de vraag of je oneindig creatief kan blijven met hetzelfde thema en dezelfde personages, antwoordt Legendre: “Voor alles zijn er de personages van Willy Vandersteen. Dat zijn ondertussen geen louter papieren helden meer. Lambik is iemand die je over straat ziet wandelen en iedereen heeft wel een tante Sidonia in de familie. Het zijn tijdloze figuren. Hoe zulke types op een situatie reageren, is interessant om te onderzoeken. Suske en Wiske maken deel uit van een veranderende wereld, ook dat biedt onbeperkt mogelijkheden. Zelf zagen we ‘Amoras’ trouwens niet als een spin-off. ‘De grappen van Lambik’ was in onze ogen een echte spin-off, ‘Amoras’ voldoet niet aan die kenmerken. Het voelt alsof we met iets nieuws bezig zijn. Dan ben je na zes albums sowieso nog niet uitverteld.”

Een schier onuitputtelijke bron van nieuwe verhalen dus? Of stoot het genre na een tijd toch op zijn limieten? Legendre ervaart geen grenzen: “Ooit was robotisering sciencefiction, nu is het dagelijkse realiteit. Virussen en bacteriën die duizenden jaren in de permafrost opgesloten zaten en vandaag aan de oppervlakte komen, nog zoiets. Je hoeft ’s ochtends de krant maar open te slaan en je hebt inspiratie voor tien verhalen. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor de rode reeks, maar omdat we voor een andere doelgroep werken, komen we niet in elkaars vaarwater. We vissen wel in dezelfde vijver, maar maken een totaal ander gerecht met wat we boven halen.”

Een Amoraske doen

Leidt het succes van ‘Amoras’ en ‘De Kronieken’ ertoe dat uitgevers met al hun series ‘een Amoraske’ willen doen? Plat commercieel uitgedrukt: seks en actie opdrijven en het jeugdsentiment aanspreken. Zo eenvoudig ligt het gelukkig niet, en uitgeverijen springen naar eigen zeggen voorzichtig om met spin-offs. De referentie aan de bronreeks mag niet het enige verkoopargument van een nieuwe reeks worden. Alles staat of valt met een sterk scenario en een daarbij passende tekenstijl. Dat beaamt ook Johan De Smedt. “Er moet een symbiose zijn, de tandem van tekenaar en scenarist moet een voltreffer zijn. Wat Stedho en Lectrr doen bij ‘Red Rider’, of Yann en Gerben Valkema in de Vandersteen-hommage ‘Cromimi’, dat is àf.” De Smedt pleit voor samenwerken en durven delen.

“Vandaag is er één constante: alles moet steeds sneller, beter, met minder mensen en tegen een lagere kostprijs”

Om die reden werd in 2017 bij Standaard Uitgeverij The Wolfpack in het leven geroepen. Een collectief van negen Vlaamse en Nederlandse stripmakers kreeg de kans om creatief aan de slag te gaan met de bekende reeksen in hun beheer. Volgens De Smedt, voortrekker van het initiatief, kan de stripwereld veel leren van de tv-wereld, waar series ook door meerdere auteurs worden geschreven. “Scenario’s komen tot stand in een writer’s room, waar ideeën worden uitgewisseld om elkaar te inspireren, meer te durven en out of the box te denken en zo tot nieuwe creaties te komen. Het verhaal van een spin-off moet vormelijk een aantal aspecten respecteren, maar het kan geen kwaad om vertrouwen te hebben in wat we vandaag nog niet begrijpen. Zo komt innovatie tot stand. Maar jammer genoeg is men daar vaak heel terughoudend voor.”

Inmiddels is The Wolfpack als geformaliseerd project uitgedoofd door de nieuwe directie van Standaard Uitgeverij. “Kwaliteit ontwikkelen vraagt tijd”, werpt De Smedt op. “De doorlooptijd van grote projecten, van de opzet tot de publicatie van ‘Amoras’ bedroeg iets meer dan drie jaar. Maar vandaag is er één constante: alles moet steeds sneller, beter, met minder mensen en tegen een lagere kostprijs. Tja. Ik hoef er verder geen tekeningetje bij te maken.”

Op de vraag of spin-offs het tij keren voor strips als ‘bedreigde boekensoort’, antwoordt Legendre in dezelfde trant: “Als het tij al zou keren, heeft het zeker niet enkel met het succes van spin-offs te maken. Vlaanderen is vooral voorzichtig en achteruitstrevend bezig. In Frankrijk, Spanje en Nederland gebeuren interessantere dingen die terechte aandacht genieten en de houding van het publiek tegenover strips veranderen. Maar ook daar klagen de auteurs steen en been. De tijd dat uitgeverijen in de eerste plaats een broeinest voor creativiteit waren en er een vrienden-onder-elkaar-sfeer heerste, ligt achter ons. Je kan hen dat niet kwalijk nemen. Voor de investeerders maakt het niet uit of er met hun centen boeken of camembert wordt gemaakt, die willen winst. Maar het zou mooi zijn als zo’n uitgever niet voornamelijk naar de cijfers zou kijken.”

Red RiderOok andere striphelden uit de stal van Standaard Uitgeverij kregen een herinterpretatie, die naast de reguliere reeks wordt opgezet. Wie niet van ridders en middeleeuwen houdt, laat ‘De Rode Ridder’ gewoon liggen, maar kan zich wel verliezen in de heldhaftige fantasywereld van diens hedendaagse broer ‘Red Rider’, die op zijn motor het avontuur tegemoet rijdt. In principe zijn alle strips geschikt om er een afgeleide reeks van te maken, zolang er een toegevoegde waarde is en de personages in de kern dezelfde blijven. En dat laatste is waar het soms wat aan schort, zoals bij ‘J.Rom’ of ‘Fanny K.’

Fanny K.

Van alle bewerkingen die verschenen zijn, is het marketingidee het duidelijkst zichtbaar bij ‘J.Rom’ en ‘Fanny K.’ Geestelijk vader Merho vond het naar eigen zeggen een meerwaarde om afstand te bewaren bij het ontstaan van ‘Fanny K.’ en gaf het project helemaal uit handen aan zijn vriend en de gevierde thrillerauteur Toni Coppers en tekenaar Jean-Marc Krings. Als Fanny niet gelinkt zou zijn aan ‘De Kiekeboes’, dan zou stripminnend Vlaanderen wellicht gejuicht hebben bij de scenario’s van Coppers. Maar bij een bewerking van het monument dat Kiekeboe is, gelden er kennelijk andere wetten.

Fanny K.Wat vooral opvalt is dat de kerneigenschappen van het hoofdpersonage wat verloochend zijn in de spin-off. Fanny was altijd een pittige jongedame die niet met zich liet sollen. Maar de volwassen Fanny uit ‘Fanny K.’ wordt in de trilogie die begint met ‘Moordgriet’, al meteen slachtoffer van partnergeweld, waar ze zelf amper tegenop kan. Coppers wou naar eigen zeggen geen taboes schuwen en zag Fanny als rolmodel voor de lezers. Aan de hand daarvan wilde hij tonen dat de realiteit van bijvoorbeeld partnergeweld soms complexer is dan gedacht. Dan kan de dosering toch beter en geloofwaardiger. Ook in het tweede en derde album worden Fanny en haar vriendinnen hardhandig aangepakt. Zonder tussenkomst van politie of andere mannen slagen ze er niet in, ondanks hun moed en de slimme samenwerking, om zichzelf te redden.

De vraag rijst welke meerwaarde de link met de bronserie nog heeft. Fanny speelt perfect de rol van detective, maar is niet langer de temperamentvolle Fanny Kiekeboe zoals we die kenden. Waar zijn haar gevatte antwoorden, haar vrolijke aard, haar vrijgevochtenheid die maakt dat ze zich nooit op haar kop laat zitten? Is het knappe tienermeisje echt uitgegroeid tot een vamp die wel moedig is maar zich toch in elkaar laat slaan door haar verloofde, die ze keer op keer vergeeft? Dit nieuwe personage had in feite eender welke naam kunnen hebben, en een verdienstelijke strip kunnen zijn in de lijn van Franka, Natasja … Misschien was zo’n onbeschreven blad wel wenselijker geweest. De schaarse verwijzingen naar elementen uit ‘De Kiekeboes’ (zoals Konstantinopel), doen wat kunstmatig aan. Het enige voordeel is dat de vriendinnen van Fanny niet meer hoeven voorgesteld te worden, wat ruimte schept om andere elementen van het verhaal uit te werken. Maar het had een even boeiend verhaal kunnen zijn als er met onbekende personages was gewerkt.

De vraag rijst welke meerwaarde de link met de bronserie nog heeft. Fanny speelt perfect de rol van detective, maar is niet langer de temperamentvolle Fanny Kiekeboe zoals we die kenden.

Daarnaast ontbreken de typische ironie en het taalspel uit de originele reeks, het handelsmerk van Merho. Dat deel van het vaak genoemde ‘DNA’ is niet doorgegeven. Op zich hoeft dat niet, maar het werkt de vervreemding wel in de hand. Met uitspraken als ‘de Jos’, ‘den Antwerp’ of ‘Jullie hebben zelf iets gepakt!’ is het taalgebruik heel Vlaams en toch voelt het het verhaal eerder Amerikaans aan.

Ironisch genoeg maakte Merho zelf al eens een parodie op spin-offs en lachte hij met de trend om strips een scherp randje te geven. In het album ‘The Simstones’ is Marcel alcoholist en Fanny een drugsverslaafde prostituee, die telkens de lezer rechtstreeks aanspreken om hun beklag te doen over deze behandeling. In de veertig jaar van hun bestaan gingen ‘De Kiekeboes’ al met hun tijd mee. Zo kwamen transgenders, porno en zelfs heroïneverslaving aan bod, terwijl Merho altijd waakte over de heel eigen, lichtvoetige stijl. Die stijl ontbreekt in ‘Fanny K.’, waardoor het dus een heel ander genre is.

Opvallend: in 2003 probeerde Standaard Uitgeverij de Nederlandse markt te veroveren, door de stripreeks ‘Fanny & Co.’ te noemen. Inhoudelijk was er geen verschil. Het project sloeg niet echt aan en werd na vijf titels afgeblazen. ‘Fanny K.’ zou beter lopen en schopte het ook tot een Franse vertaling.

Hoe ‘Fanny K.’ het in de winkel doet, heeft geen echte impact op de verkoopcijfers van moederreeks ‘De Kiekeboes’, maar zorgt wel voor extra zichtbaarheid. Met het actieverhaal gevuld met expliciet geweld en functioneel naakt kan Fanny K. een iets ouder breed publiek aanspreken, maar bij de stripliefhebbers lijkt de trilogie weinig potten te breken.

Thorgals lege vaatje

Een toverformule voor dé geslaagde spin-off lijkt er niet te zijn, maar er zijn wel een aantal criteria die succes in de hand kunnen werken. Dat hadden ze aan Franstalige kant een tiental jaar geleden al goed begrepen. Het vikingepos ‘Thorgal’, geesteskind van Jean Van Hamme, verscheen voor het eerst in feuilleton in weekblad Kuifje in de jaren 1980. Na zowat dertig albums raakte het vaatje stilaan leeg en begon een deel van het publiek te klagen dat er te weinig vernieuwing kwam. Niemand wou stoppen. Het oorspronkelijke idee was om een vervolg te maken dat focust op het personage Jolan, maar tekenaar Rosinski wou liever andere kanten van de Thorgal-wereld belichten.

WolvinEn dus verschenen naast de hoofdserie met Rosinski als tekenaar vanaf 2010 ‘De werelden van Thorgal’. Deze drie parallelreeksen diepen de karakters van drie spilfiguren uit de hoofdreeks verder uit: ‘Kriss van Valnor’ (door Yves Sente en Giulio De Vita), ‘Wolvin’ (Thorgals dochter, door Yann en Roman Surzhenko) en ‘De jeugdjaren van Thorgal’ (ook door Yann en Roman Surzhenko). Jean Van Hamme wou een opvolger die echt de geest van Thorgal vastlegde en er niet louter een heroïsche fantasystrip van maakte. Yves Sente had dat begrepen en slaagde daarin dankzij zijn interesse in de mythologische achtergrond en zijn bereidheid om er zich grondig in te verdiepen. Tekenaar De Vita ontwikkelde op zijn beurt voor Kriss van Valnor een eigen grafische identiteit die sterk aansluit bij Thorgal.

Verwijzingen naar de hoofdserie verduidelijken sommige gebeurtenissen en versterken de onderlinge samenhang, hoewel elke reeks ook apart kan worden gelezen. Hier is duidelijk grondig over nagedacht en er zijn eisen gesteld. De parallelseries zijn opgezet om met de losse eindjes uit de oorspronkelijke reeks het universum van Thorgal verder te verrijken. Zo haken de verhalen ook onderling in elkaar. Van bij het begin werkten de makers samen als ‘Thorgal-team’.

Yves Sente, scenarist van Thorgal vanaf album 30, hield de cohesie van het geheel in het oog, tekenaar Rosinski nam de grafische kant voor zijn rekening en zorgde ook voor alle covers, precies om die samenhang tussen de drie reeksen te bewaken. Rosinski schilderde de grote platen voor de kaft zelf op doek, gebaseerd op schetsen van De Vita, die de beelden dan verder afwerkte op computer. Op alle spin-offreeksen prijkt een Thorgal-logo, een keurmerk dat de herkenbaarheid voor de lezer garandeert.

Rosinski ziet Thorgal niet zozeer als een avonturenstrip, wel als een saga gebaseerd op Noordse mythologie. Dat geeft meteen toegang tot een hele schat aan verhalen, een heel rijke verbeeldingswereld waarin talloze personages figureren. Waar Thorgal in de hoofdserie zelf eerder statisch blijft, zijn ‘De Werelden’ dynamischer, met hoofdpersonages die evolueren en ouder worden. ‘De Werelden’ waren eigenlijk al inherent aanwezig in de hoofdstrip, deze spin-offs zijn gewoon een kwestie van de camera wat te draaien en de focus anders te leggen.

De rijke setting en semi-historische achtergrond bieden tal van mogelijkheden. Er zitten knipogen in naar de hoofdserie, maar die blijven discreet en hinderen het lezen niet. De makers nemen met deze spin-offs een beperkt en berekend risico. De stijl blijft heel gelijkaardig; de opeenvolgende tekenaars (De Vita, Frédéric Vignaux en Roman Surzhenko) hebben het origineel grondig bestudeerd en doorgenomen met Sente en uitgever Le Lombard; zelfs aan de lettering en opdeling in platen is amper geraakt.

De lezers merkt weinig van deze wissels. Het ‘merk’ overheerst.

De Vita vertelt in een interview dat hem goed duidelijk werd gemaakt wat de parameters waren. “Het was niet de bedoeling grafisch veel te vernieuwen, wel mij ten dienste te stellen van wat er al was en de geest van Thorgal niet te verraden.” Vanaf het zesde album uit de reeks ‘Kriss van Valnor’ namen twee nieuwe scenaristen de rol van Sente over: Xavier Dorison en Mathieu Mariolle. Ook De Vita stopte er toen mee. Het zesde deel werd getekend door Roman Surzhenko, tekenaar van ‘Wolvin’ en ‘De Jonge jaren van Thorgal’. Frédéric Vignaux maakte de reeks af door delen zeven en acht te tekenen. De lezers merkt weinig van deze wissels. Het ‘merk’ overheerst, ‘De Werelden’ vormen ondanks de afsplitsingen inderdaad één groot universum. Voor de liefhebbers van het genre zorgt het voor welgekomen verrijking en afwisseling, maar een echt nieuw publiek wordt met deze spin-offs niet aangetrokken.

De makers van ‘De werelden van Thorgal’ zijn getalenteerde stripmakers, maar ook beslagen ondernemers. Yves Sente had er al vroeg een neus voor om tanende series weer op te krikken door ze een vervolg te geven, zonder daarvoor spectaculaire vernieuwingen door te voeren. Naast scenarist voor Thorgal was deze voormalige uitgeverij bij Le Lombard ook scenarist voor ‘Blake & Mortimer’.

Edgar Pierre Jacobs, de oorspronkelijke auteur van ‘Blake & Mortimer’, hield veel rekening met de wensen en reacties van het publiek. Het ene album was een oorlogsverhaal, een andere keer beleefden de twee helden een Egyptisch avontuur (‘Het mysterie van de grote piramide’). ‘Het Gele Teken’ had weer een andere setting, later waagde Jacobs zich ook aan sciencefiction. Precies daarom hebben ‘Blake & Mortimer’ geen spin-off nodig, meent Sente. “Hun avonturen kunnen zich overal afspelen, want ze zijn overal al eens geweest. Er is geen vaste omgeving om je toe te beperken. Bovendien zijn het niet één maar twee helden, wat veel speelruimte en mogelijkheden voor focus geeft.”

Yves Sente kent de stiel. Hij maakte ook een prequel van Robbedoes in de reeks ‘Robbedoes door …’; album 13: ‘Ze noemen hem Rooie’ (inmiddels het eerste deel van een aparte spin-off: ‘Mademoiselle J.’). Dat is een kwalitatief hoogstaande hommage geworden, die geloofwaardigheid geeft aan de origin story van een van de grootste Belgische striphelden. Dit album heeft duidelijk zijn eigen plaats en waarde en valt bezwaarlijk een ‘afgeleide’ te noemen. Laat het dus duidelijk zijn: een commercieel en/of artistiek kwalitatief geslaagde spin-off hangt af van veel factoren. De juiste persoon op het juiste moment op de juiste plek, is alvast een heel bepalende.

Het geheim van succes

En verder? Op andere factoren hebben stripmakers wel invloed: een geslaagde spin-off bewaart een balans tussen het oude werk en de nieuwe interpretatie. De verhoudingen tussen personages blijven gelijkaardig. In een eerste deel van een nieuwe reeks is het niet slecht om de gemeenschappelijke grond tussen het oorspronkelijke materiaal en de spin-off goed uit te puren en de brug te slaan. Daarna kunnen stripauteurs de sprong wagen en sterk werk maken van de eigen kwaliteit van de (ver)nieuw(d)e reeks. Een noodzakelijke voorwaarde daarbij is de rijkdom aan achtergrond, een wereld met voldoende tot de verbeelding sprekende elementen die een eigen verhaal vormgeven op een geloofwaardige en intrigerende manier. Als daarbij af en toe wordt geknipoogd naar de bronserie, is dat mooi meegenomen.

“De weinige kansen die auteurs nog krijgen, zijn vaak kansen om op te treden in een bestaand format zoals spin-offs, waardoor er amper auteursrechten ontstaan om van te leven.”

Een populair personage alleen van context verplaatsen is dus niet voldoende. Echte liefhebbers zijn soms sceptisch tegenover spin-offs omdat ze ondanks de restyling vaak een conservatieve en veilige keuze zijn. Maar de commerciële voordelen wegen door voor de uitgeverijen. Daarbij dreigt het gevaar voor eenheidsworst, onder de valse vlag van vernieuwing. De kwaliteit van de tekeningen, diepgang en coherentie van het verhaal blijven toch essentieel.

Een aantal jaren geleden trok Lectrr in Stripgids aan de alarmbel. Volgens hem wagen uitgevers zich steeds minder aan nieuwe reeksen omdat de Grote Reeksen die uit de markt duwen. “De weinige kansen die auteurs nog krijgen, zijn vaak kansen om op te treden in een bestaand format zoals spin-offs, waardoor er amper auteursrechten ontstaan om van te leven.”

Marc Legendre reageert daarop: “Als je vandaag naar een uitgever stapt om je project voor te stellen, is het inderdaad waarschijnlijker dat je buiten komt met een contract voor een spin-off of de verstripping van een tv-reeks. Maar zijn het de uitgevers, de lezers, de stripauteurs, de pers, de verkooppunten … die dit in de hand werken? Met de lancering van ‘Amoras’ vonkte en vlamde het, maar dat vraagt veel van iedereen. En niet iedereen heeft zin om zo intensief met een job bezig te zijn. Temeer daar de kans bestaat dat het allemaal voor niks geweest is. Succes kun je niet afdwingen, geluk speelt een rol. Dus mag het niet verbazen dat men vaak voor de gemakkelijke of de zekere weg kiest. Onze mentaliteit draagt daar ook toe bij, denk ik. Wij willen altijd meer van hetzelfde en liefst nu.”

“Laat iedereen de handen in mekaar slaan in plaats van hokjesdenken aan te moedigen en eilandjes angstvallig in stand te houden.”

Volgens Legendre zou het veel betekenen als Literatuur Vlaanderen (voorheen Vlaams Fonds voor de Letteren) geen onderscheid meer zou maken tussen zogezegd commerciële en niet-commerciële strips. “Iemand die in een zogenaamd commerciële stijl werkt, kan tegenwoordig immers ook best wat steun gebruiken. De zogeheten ‘grote uitgever’ betaalt al lang geen plaatprijs meer. De kans dat hij je stripje aanneemt is klein en wanneer hij dat toch doet, stellen je royalty’s weinig of niets voor. De kans dat zo’n strip aanslaat, is groter. Literatuur Vlaanderen zou zo’n ‘commerciële auteur’ dus misschien niet zijn of haar hele carrière hoeven subsidiëren. Je krijgt dit soort strips wellicht ook makkelijk in het buitenland verkocht, al pak je er niet zo graag mee uit op je standje. Want, ja, natuurlijk is er nog ruimte voor nieuwe dingen. Kijk naar het succes van ‘Mooie Zomers’ of ‘Krasse Knarren’. Laat iedereen de handen in mekaar slaan in plaats van hokjesdenken aan te moedigen en eilandjes angstvallig in stand te houden.”

Samenwerken. Over muurtjes kijken. Teams vormen. Het zijn dezelfde ideeën en noodzakelijke strategieën die telkens terugkomen. En misschien kan ook een aangepaste regeling voor strips (of het hele boekenvak) via de Tax Shelter (een Belgische fiscale regeling, bedoeld om audiovisuele en cinematografische producties te steunen en te stimuleren) voor meer ademruimte zorgen, zodat creativiteit en nieuwe reeksen ook buiten spin-offs meer kansen krijgen. De Tax Shelter zorgde immers voor een opvallende dynamiek in de audiovisuele sector en recent ook in de gamesector, dus waarom niet?

 


De 9e Kunst plaats met enige regelmaat artikelen die eerder werden gepubliceerd in het tijdschrift Stripgids. Dit artikel verscheen in Stripgids #5, juni 2019