Leo bouwt in zijn Aldebaran‑franchise niet zomaar een reeks SF‑avonturen, maar een coherent, decennia omspannend universum waarin ecologie belangrijker is dan technologie en fauna belangrijker dan vuurwapens. Het Bestiarium van de werelden van Aldebaran voelt daarin als een logisch en glorierend eindpunt: het boek draait de camera definitief weg van de mensen en richt zich volledig op de levende wereld die al die tijd de echte hoofdrol speelde.
De eerste cyclus Aldebaran opent nog redelijk klassiek. Een door rampspoed geplaagd kolonisatieproject op een verre planeet, politieke en religieuze spanningen, een jonge hoofdfiguur die zijn weg moet vinden. Wie doorleest – via Betelgeuze, Antares, Overlevenden en Terug naar Aldebaran – merkt dat Leo de mensheid systematisch terugbrengt tot een nerveuze bijrol in een biotoop die zich niets van haar ambities aantrekt.
Kenmerkend is hoe iedere nieuwe planeet niet wordt geïntroduceerd met machines of metropolen, maar met een beest. Een walvis die door zand zwemt, een onhandig soort luchtkwal, een roofdier dat net te onbegrijpelijk is om geruststellend te zijn. Die dieren zijn geen decor voor actie, maar morele barometers. Ze tonen hoe fragiel de mens is zodra hij de grenzen van zijn vertrouwde ecologie overschrijdt.
In dat levende decor krijgen twee elementen een bijzondere status: Kim Keller en de mantrisse. Kim is tegelijk protagonist, getuige en door haar wetenschappelijke blik veldbioloog in eigen verhaal. Iemand die dagboeken en rapporten vult, terwijl om haar heen de geschiedenis ontspoort.
De mantrisse daarentegen is een anomalie, een amorfe, bijna goddelijke entiteit die intelligentie koppelt aan radicaal andere motieven dan de menselijke. Via Kim ontstaat een vorm van communicatie, maar geen echt begrip. Leo weigert de mantrisse te reduceren tot vriendelijke alien of kwaadaardige supervillain. Dat morele en cognitieve grijze gebied is cruciaal, het laat zien hoe beperkt de menselijke maat is zodra we met waarlijk buitenaards leven te maken krijgen.
In het Bestiarium krijgt deze rode draad een slimme voortzetting. Het boek doet alsof Kim Keller haar observatieschriften en het rapport van het Mantrisse‑instituut heeft afgestaan, die vervolgens door de makers zijn omgevormd tot een quasi‑wetenschappelijke fauna‑gids. Daardoor wordt de lezer ineens expliciet in dezelfde positie geplaatst als Kim: turend naar wezens die zorgvuldig beschreven zijn, maar nooit volledig verklaard.
Wat Leo’s universum onderscheidt van veel genregenoten, is de consequentie waarmee hij zijn fauna als volwaardige exobiologie vormgeeft. De dieren in De werelden van Aldebaran zijn niet enkel visueel leuk bedacht, ze passen in voedselketens, roepen vragen op over voortplanting, verdediging en adaptatie, en hebben logisch ogende interacties met hun omgeving.
Precies daar sluit het Bestiarium op aan. Het boek, geïnitieerd door de Franse ethologe Olivia Le Moëne, presenteert een veertigtal soorten met een toon die halverwege wetenschappelijk artikel en speels pastiche hangt. De teksten imiteren de structuur van echte fauna‑gidsen – gedrag, habitat, anatomische bijzonderheden – maar blijven tegelijk fictief en soms vrolijk absurd. We worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen “dit zou echt kunnen bestaan” en “dit is te gek om waar te zijn!”.
Dat het initiatief bij een echte gedragsonderzoeker ligt, is meer dan een aardige voetnoot. Het maakt zichtbaar hoe solide Leo’s intuïtieve wereldbouw is. De pseudo‑wetenschap past als een handschoen, juist omdat de dieren in de reeks nooit losse monsters waren, maar elementen van een coherent ecosysteem.
Een van de charme‑punten van het bestiarium is het expliciete spel met bronnen en auteurschap. In de fictie‑laag levert Kim Keller haar veldnotities in; in de “echte” wereld schrijft Le Moëne de teksten. Leo levert nieuwe illustraties die zich duidelijk onderscheiden van zijn gebruikelijke stripstijl.
Die illustraties zijn digitaal uitgewerkt en vaak paginagroot. Ze schuiven op richting natuurhistorische prent. Minder sequentieel, meer pose, compositie en focus op textuur. Het effect is dat wij lezers de bekende fauna ineens niet meer in een verhaal zien, maar in “plaatjes om te bestuderen”, waardoor details opvallen die in de albums soms voorbijraasden. Bijkomend voordeel is dat diegenen die niet dolenthousiast zijn over Leo’s tekenkunsten (waaronder uw scribent) opeens alle dieren minder houterig en statisch te zien krijgen. Wie weet is dit ook een aardig idee voor de menselijke hoofpersonen.
De pseudo‑wetenschappelijke beschrijvingen trekken dat nog verder door. De toon is droog, analytisch, soms bijna academisch, maar hier en daar breekt er ironie door. Volkomen serieuze zinnen over volledig onzinnige gedragingen, statistiek over totaal verzonnen populaties, hypotheses die een glimlach uitlokken en tegelijk logisch klinken. Op die manier wordt het spanningsveld tussen wetenschap en verbeelding zelf een thema. Hoeveel objectieve taal is er nodig om pure fantasie geloofwaardig te maken?
Binnen Leo’s Aldebaran‑universum voelt het Bestiarium als een vreemd en toch volkomen passend sluitstuk. De lange cyclus heeft al laten zien hoe klein de mens is ten opzichte van zijn zelfgeschapen goden en buitenaardse ecosystemen. Dit boek draait dat perspectief definitief door de mens bijna volledig naar de marge te schuiven.
Voor nieuwe lezers is het uiteraard geen ideaal instappunt. Zonder de context van de verschillende cycli mist de lading en herkenning. Maar voor iedereen die zich al door Aldebaran, Betelgeuze, Antares en de latere reeksen heeft heen gelezen, werkt het als een vorm van erkenning. Ja, die dieren waar je je al twintig jaar over verwondert, waren altijd de echte sterren van de show.
Leo & Olivia Le Moëne – Bestiarium van de werelden van Aldebaran. Dargaud. 144 pagina’s hardcover. € 34,99.







