Klassieke verhalen worden telkens opnieuw verteld – ook in strips – en blijven daardoor fris. Maar wat maakt deze verhalen zo bijzonder? En hoe veranderen ze door de tijd? In Classic to Graphics gaat Bart van der Steen op onderzoek uit. In de vierde aflevering van onze zomerserie bespreekt hij Kafka’s wereldwijde comics appeal.
Honderd jaar na zijn dood is Franz Kafka nog altijd springlevend in onze taal en cultuur. Zodra mensen verstrikt raken in bureaucratische doolhoven of schijnprocessen, noemen ze hun situatie ‘Kafkaësk’. Maar wat betekent dat eigenlijk? En hoe breng je de beklemmende, soms absurde sfeer van zijn werk over aan nieuwe lezers? Verrassend genoeg kan het beeldverhaal – van graphic novel tot manga – daarbij een sleutelrol spelen.
Kafka werd in 1883 geboren en voelde zich vanaf zijn jeugd een buitenstaander. In een traditioneel gezin was hij bang voor zijn vader; in een omgeving waar iedereen Tsjechisch sprak, was zijn moedertaal Duits; in een land vol antisemitisme was hij Joods; en in een samenleving die arbeidsethos boven alles stelde, wilde hij maar één ding: schrijven.
Tijdens zijn leven verschenen slechts een paar korte verhalen, maar die verkenden wel de uitersten van het bizarre: mensen die wakker worden en ontdekken dat ze in een insect zijn veranderd (De gedaanteverwisseling); iemand die op een kolenkit stapt en ermee de lucht in vliegt alsof het de normaalste zaak van de wereld is (Het kolenkitverhaal); of mensen die hun brood verdienen… door niet te eten (Een hongerkunstenaar).
Hoe vreemd deze werelden ook zijn, ze vormen slechts het decor voor verhalen over het onvermogen van mensen om hun wereld te begrijpen, zinnig te communiceren of betekenisvolle relaties aan te gaan. Het resultaat is een beklemmend gevoel: de lezer merkt dat er iets “niet klopt” zonder precies te weten wat – net als de personages zelf. Dus, waar gaan Kafka’s verhalen nu écht over, en kunnen strips ons helpen dat te ontdekken?
Introducing Kafka: biografie en beeld
Een goed startpunt om die vraag te beantwoorden is Introducing Kafka van David Zane Mairowitz en Robert Crumb, een van de eerste graphic novels over Kafka. Het boek vervlecht op slimme wijze zijn leven en werk: we zien sleutelmomenten uit zijn biografie, hoe hij die verwerkte in zijn verhalen, én visuele adaptaties van klassiekers als Het proces, De gedaanteverwisseling en Een hongerkunstenaar.
Hoewel het logisch lijkt om een kunstenaar te verklaren vanuit zijn leven en tijd, ligt dat bij Kafka ingewikkeld. Hij probeerde juist zoveel mogelijk afstand te houden tussen zijn verhalen en de werkelijkheid, om literaire werelden te creëren die volledig op zichzelf konden staan. Critici zoals Adorno keerden zich tegen het ‘verklaren’ van Kafka’s werk uit zijn biografie: zo’n kleinburgerlijke aanpak was erop gericht de spanning op te lossen die zijn werken nu juist moeten oproepen.
Want winnen we ermee? Als we Kafka’s werk reduceren tot een commentaar op staatsbureaucratie, de opkomst van totalitarisme, de Talmoed, antisemitisme of “vaderproblemen”, verliezen we de beklemmende sfeer die zijn verhalen zo uniek maakt. In plaats van dichterbij te komen, verschuift de aandacht juist weg van waar het werkelijk om draait.
Toch – Adorno ten spijt – is Introducing Kafka een briljant werk. Het biedt een toegankelijke kennismaking met zijn leven en prachtige visualisaties van zijn bekendste verhalen. Mairowitz en Crumb benadrukken vooral de tragiek in Kafka’s werk: eenzame, geïsoleerde mensen die geen verbinding kunnen maken en worden vermalen door de machinerie van de staat. Tegelijk laten ze zien hoe Kafka inmiddels is uitgegroeid tot een wereldwijd fenomeen, vertaald in talloze talen en verbeeld in een breed scala aan stijlen.
Drie heel verschillende stripadaptaties laten dat goed zien: één uit de VS, één uit Japan en één uit Europa.
Een wereldwijde beeldtaal
Allereerst is er Kafkaesque van Peter Kuper, een beeldbewerking van veertien verhalen. Opvallend is zijn keuze voor de krasbord-techniek. Kuper gebruikt zwartgemaakt papier waaruit witte lijnen tevoorschijn worden gekrast; net zoals Frank Miller deed voor Sin City.
Door in zwart-wit te werken, sluit Kuper aan bij een lange traditie. Denk aan Orson Welles’ The Trial met zijn beroemde lange schaduwen, de zwart-witfilm Kafka uit 1991, en ook Introducing Kafka. Kuper zet die lijn door, maar voegt er zijn eigen stempel aan toe. Met een cartooneske stijl benadrukt hij zowel het absurdisme als de humor in Kafka’s werk. Tegelijkertijd plaatst hij de verhalen in een uitgesproken Amerikaanse context, compleet met kritiek op politiegeweld, personages van kleur en verwijzingen naar de consumptiemaatschappij.
Het Japanse duo Nishioka Kyodai vertaalt Kafka’s verhalen juist weer naar manga, maar niet op de traditionele manier. Ze kiezen voor een mysterieuze, dubbelzinnige beeldtaal die de ambiguïteit van Kafka’s proza weerspiegelt. Deze benadering moet de lezer ertoe aanzetten de (beeld)verhalen ‘uit te pakken’ en de betekenis te onderzoeken. Het hoogtepunt is hun versie van De gedaanteverwisseling. Bij het verschijnen van dat boek had Kafka bedongen dat de kaft het insect zelf niet zou tonen. Dat moest aan het voorstellingsvermogen van de lezer gelaten worden. De Nishioka’s volgen die wens: ze laten alleen de mensen om het insect heen zien, die zich tot hem en zijn transformatie moeten verhouden. De hoofdpersoon blijft onzichtbaar – een ultiem Kafkaësk gebaar.
Ook Europese stripmakers hebben zich gretig op Kafka gestort. Een opvallend voorbeeld is Danijel Zezelj, die meerdere verhalen samenvoegt tot één geheel. Hij werkt eveneens in zwart-wit, maar geeft er een twist aan: waar Crumb en Kuper de claustrofobie van Kafka’s werelden benadrukken door personages in benauwde interieurs te plaatsen, tekent Zezelj uitgestrekte landschappen waarin de figuren bijna verdwijnen.
Zo maakt hij zijn personages op een heel andere manier klein. Zezelj legt de nadruk op het expressionistische karakter van Kafka’s werk en laat zien hoe mensen ook in leegte en openheid kunnen verdwalen. Zijn meesterlijke gevoel voor paginalay-out en close-ups versterkt dat effect.
In Kafka’s oeuvre kloppen meerdere harten: het een is tragisch, het ander humoristisch, een is absurdistisch en een ander expressionistisch. De verschillende stripbewerkingen lukt het telkens om één van die facetten extra te belichten. Voor wie altijd al Kafka wilde lezen, maar er steeds in vastliep, vormen deze beeldverhalen een prachtig startpunt.






