Zestig jaar geleden lazen psychiaters in Kortenberg (BE) de tekeningen van hun patiënten als klinische symptomen. Op 15 oktober zaten in hetzelfde ziekenhuis stripmakers op het podium die hun eigen ziektebeelden verbeelden. Het symposium Tussen de lijntjes liet zien hoe die verhoudingen zijn omgedraaid en waar de wrijving tussen kunst en kliniek zich nu bevindt.
De locatie had historische betekenis. UPC KU Leuven, campus Kortenberg, heette vroeger Sint-Jozef en was in 1850 opgericht als toevluchtsoord en instelling voor geesteszieke welgestelde vrouwen. Juist op die plek begon in de jaren zestig een vroege vorm van creatieve therapie. Die geschiedenis vormde de rode draad van de bijeenkomst. Waar aanvankelijk de arts het beeldmateriaal analyseerde, begon de patiënt gaandeweg zelf het woord en het potlood op te eisen. Tegenwoordig omarmt de geneeskunde de strip graag als praktisch instrument, al waken de makers voor een al te instrumentele benadering van hun werk.
Dat deze twee werelden elkaar in Kortenberg ontmoetten op zo’n vanzelfsprekende manier, was te danken aan de initiatiefnemers. Het symposium was een samenwerking tussen Beeld Beeld, het expertisecentrum voor graphic journalism en beeldverhalen, en het Universitair Psychiatrisch Centrum van de KU Leuven, met steun van Literatuur Vlaanderen en Stripgids. Onder leiding van kinder- en jeugdpsychiater Jolien Hillaert bewees de organisatie hoe vruchtbaar een ontmoeting tussen artistieke autonomie en medische praktijk kan zijn.
De dokter leest de tekening

Psychiater en stripauteur Erik Thys belichtte deze erfenis vanuit het instituut zelf. In de jaren zestig startte dokter Michel Outtier in Sint-Jozef een atelier voor creatieve therapie, destijds een zeldzaamheid in Europa. Outtier beschouwde het tekenblok uitdrukkelijk als een verlengstuk van de onderzoekskamer. Het vervaardigen van beelden diende destijds vooral als diagnostisch bouwmateriaal.
Thys toonde de interpretatielijsten waarmee dergelijke werken destijds werden ontleed: herhaling, het samenvloeien van tekst en beeld, mensfiguren die transformeren tot planten of machines, verstrakking en afwijkend kleurgebruik. Een eigentijdse striplezer herkent in die opsomming simpelweg de vormentaal van het beeldverhaal. Thys benadrukte zelf ook dat zulke kenmerken evengoed opduiken in graffiti, volkskunst en reguliere strips.

Omdat de gemaakte werken eigendom bleven van de instelling, ontstond een archief van duizenden tekeningen met bijbehorende medische dossiers. Die collectie wordt momenteel geconserveerd en in kaart gebracht. Thys bracht het verhaal naar voren van Rose, een vroegere onderwijzeres en bibliothecaris die 80 jaar geleden ruim twee decennia in Kortenberg verbleef. Zij tekende melancholische vrouwenportretten met kortgeknipte jongenskapsel. De toenmalige verslaglegging noemde haar kleurkeuzes disharmonisch en haar figuren verstard.

Thys ziet daarentegen beheerste en vakkundige tekeningen. Op de achterzijde van een vel noteerde Rose haar verlangen om samen te werken met een vrouwelijke tuinarchitect, ver weg van haar ouderlijk huis. Thys herkent daarin een voorzichtige uiting van lesbische gevoelens, in een tijdperk waarin de psychiatrische handboeken homoseksualiteit nog categoriseerden als een stoornis. De maatschappelijke druk rond die geaardheid heeft mogelijk bijgedragen aan haar lijden, weten we nu. Het toont hoe een tekening die ooit gold als bewijsstuk van een defect, tegenwoordig wordt gewaardeerd als het tastbare spoor van een mens.
De patiënt tekent terug
Het historische kantelpunt vond plaats in 1972. In Binky Brown meets the holy virgin Mary zette Justin Green zijn eigen dwangneurose op papier. Het boek hielp hem om zichzelf te zuiveren van zijn obsessies en bood lotgenoten een uitweg uit hun isolement. Daarmee kantelde het gezichtspunt definitief, doordat de getroffene zelf de pen ter hand nam.

Zorg-ethicus Gert Olthuis (Radboud UMC en goede vriend van de site) liet zien hoe die ontwikkeling de medische wetenschap bereikte. De Britse arts en tekenaar Ian Williams muntte in 2007 de term Graphic Medicine. Olthuis verbindt dit domein aan de narratieve geneeskunde van Rita Charon, die ziekte beschouwt als een persoonlijke ervaring die op zoek is naar taal. In een stripverhaal vindt die ervaring aansluiting bij taal en beeld tegelijk.
Olthuis onderscheidde uiteenlopende functies voor het medium, variërend van wetenschappelijk onderzoek tot medisch onderwijs en voorlichting aan families. Zijn eigen project Naasten vormt daarvan een sprekend voorbeeld. Diepgaande interviews met mantelzorgers en zieken in de palliatieve fase werden door Melanie Kranenburg en Niek van Ooijen bewerkt tot een getekend boek. Direct aan het ziekbed bleek de uitgave lastig te hanteren. In de collegebanken voor verpleegkundigen en artsen fungeert het materiaal daarentegen uitstekend als lesstof.
Wat het beeld kan

De medische interesse voor strips laat zich eenvoudig verklaren, want een tekening brengt nuances over die in een mondeling gesprek of een brochure verloren gaan. Olthuis illustreerde dat aan de hand van de beroemde neushoornscène uit Blauwe pillen van Frederik Peeters. Een arts probeert de angst voor een hiv-besmetting weg te nemen met een statistische vergelijking: het risico op overdracht is even klein als de kans om op straat een witte neushoorn tegen het lijf te lopen. Een rationeel cijfer brengt echter zelden emotionele rust. Peeters tekent zichzelf en zijn partner dan ook klemgezet tegen de massieve flank van een reusachtige neushoorn. Door de metafoor fysiek op het papier te zetten, toont de tekenaar de subjectieve realiteit die in tabellen onzichtbaar blijft.
Het gesprek tussen Ephameron en Michiel van de Pol, geleid door ouderenpsychiater Mathieu Vandenbulcke, bevestigde die kracht van het beeld. Ephameron legde in Wij twee samen het ziekteproces vast van haar vader, die werd getroffen door primair progressieve afasie. Haar vertelling rust op verschillende lagen: haar eigen overwegingen, het haperende handschrift van haar vader en de laatste flarden spraak die hij wist uit te brengen. Het kleurgebruik vervaagt gaandeweg van warme tinten naar een ingetogen grijs. Wanneer de taal definitief wegvalt, resten enkel nog de handen. Het vasthouden van elkaars vingers vormt het slotstuk van hun communicatie, een intieme werkelijkheid die zich bijna uitsluitend laat tekenen.
Van de Pol richtte zich in Mantel der liefde op de zorg voor zijn hulpbehoevende moeder. Hij typeerde mantelzorg als een sluipend proces dat begint met praktische hulp bij het huishoudelijk afval en uitmondt in een verantwoordelijkheid waaruit men zich nauwelijks kan losmaken. Het slechtnieuwsgesprek met de behandelend arts overviel hem volkomen. Pas na haar overlijden ontdekte hij via bewaarde dagboeken wie zijn moeder werkelijk was geweest in haar jonge jaren. De droge humor in zijn observaties houdt het relaas dragelijk en geeft het werk een grote openheid.
Wat de makers weigeren
Het podium wekte aanvankelijk de indruk van een harmonieuze samenwerking waarin de zorg aandachtig luistert naar de stem van de getekende ervaring. De aanwezige auteurs bewaakten echter zorgvuldig hun artistieke onafhankelijkheid ten opzichte van de zorgverleners.

Ben Gijsemans onderzoekt in Aaron de belevingswereld van een student die tijdens een eenzame zomer ontdekt dat hij pedofiele verlangens koestert. Gijsemans hanteert spaarzame teksten, veel herhaling en een strakke paginaindeling die de sfeer van een cel oproept. Gespreksleider Rick Roels vroeg of het werk bedoeld was als inspiratiebron voor hulpverleners. Gijsemans wees die gedachte van de hand. Hij wenst geen voorlichtingsmateriaal te maken, ongeacht de goede bedoelingen. Zijn prioriteit ligt bij het lijden zelf, bij de innerlijke verscheurdheid van een individu dat botst met maatschappelijke verwachtingen. Roels benadrukte vervolgens dat personen met dergelijke gevoelens in de praktijk stuiten op angst en veroordeling, waardoor het gesprek twee volwaardige perspectieven naast elkaar zette.
Maaike Hartjes en Sabien Clement benaderden hun burn-out ieder vanuit een eigen dynamiek. Hartjes hield maandenlang een getekend logboek bij, wat uiteindelijk resulteerde in Burn-out dagboek. Reguliere therapie liet ze achterwege; het dagelijkse tekenwerk en knippen boden haar houvast, waarbij de kleuren geleidelijk terugkeerden op de pagina’s. Achteraf beschouwt ze deze crisisperiode als een van de meest waardevolle ervaringen in haar leven. Clement brak juist een professionele behandeling af die haar geen vooruitgang bracht. Zij vond herstel in de omgang met paarden en in het observeren van levende modellen, wat leidde tot haar publicatie Broosmoedig. Beide schrijfsters kwamen uit bij het inzicht dat het nastreven van perfectie mag wijken voor tevredenheid met het haalbare.

Aansluitend verscheen Clement op kousenvoeten op het toneel, met haar rode schoeisel op de grond en een draaiende hoepel om haar lichaam. Op het projectiescherm verscheen een tekening van een vrouw die afwezig oogt, maar in werkelijkheid volledig rust vindt binnen haar eigen cocon. Het hoepelen verschaft Clement kalmte en vreugde. Met deze fysieke aanwezigheid op het podium gaf zij een treffend voorbeeld van zelfaanvaarding.
De meest fundamentele breuk met de klinische blik kwam van Brecht Evens, die sprak over zijn psychotische episode rond 2013. Tijdens zware depressieve fases ontbreekt hem de energie om een lijn op papier te zetten. In een manische toestand verloor hij juist de interesse in het vertellen van verhalen; fictie leek hem futiel tegenover het plan om de wereld direct te hervormen via ontwerpen, kleding en eigenhandig gefabriceerde paspoorten voor ongedocumenteerde Parijzenaren. Een geplande werkexcursie naar Japan strandde daardoor in een psychiatrische opname. Pas toen de rust terugkeerde, ontstond er weer ruimte voor esthetiek, doordachte compositie en verzonnen intriges.

Die levensfase vormt het fundament onder zijn trilogie die aanving met De Bondgenoten. Bij Evens staat de opvatting uit de jaren zestig volledig op zijn kop. Destijds zagen artsen de tekening als een openbaring van het ziektebeeld. In zijn geval verwoestte de ziekte tijdelijk het scheppend vermogen, waarna de herwonnen vertelkunst juist het bewijs leverde van zijn herstel.
De spiegel voor de zorg
Gert Olthuis pleitte aan het einde van zijn betoog voor grondig onderzoek naar het snijvlak van zorg en verbeelding. Die wens is begrijpelijk, want wie binnen het medische stelsel financiering zoekt voor kunstzinnige toepassingen, moet kunnen aantonen dat een interventie resultaat boekt. Daarin schuilt een valkuil. Wie een beeldverhaal primair benadert als therapeutisch instrument, beweegt ongemerkt terug naar de klinische onderzoekskamer van dokter Outtier. Ook destijds diende de tekening immers een extern doel.
De aanwezige stripmakers toonden aan waarom een puur instrumentele benadering tekortschiet. Hun werk bezit overtuigingskracht doordat het autonoom tot stand is gekomen. Gijsemans weigert de lezer op te voeden, Hartjes tekende om haar stilstand te doorbreken en Evens hervond zijn stem pas na het luwen van de storm. De ervaringen rond het project Naasten laten eenzelfde tendens zien: de getekende bladzijde biedt zelden een pasklaar recept voor de zieke, maar houdt de zorgverlener een waardevolle spiegel voor.
Daarin schuilt het blijvende belang van de ontmoeting in Kortenberg. De psychiatrie heeft beeldverhalen nodig, mits zij deze werken benadert zoals Thys keek naar de nagelaten portretten van Rose: als het soevereine oeuvre van een individu.
Het slotwoord werd gevormd door een getekende reactie. Peter de Wit, schepper van de bekende therapeutensatire Sigmund, moest wegens ziekte verstek laten gaan en stuurde een beeldcommentaar. Hij merkte droogjes op dat zo ongeveer elke denkbare stoornis inmiddels door een tekenaar is geclaimd, waardoor debutanten moeten zoeken naar een aandoening die nog vrij is. Die grap vatte de historische verschuiving samen. Wat een halve eeuw geleden achter slot en grendel in een patiëntendossier belandde, ligt tegenwoordig open en bloot op de tafels van de boekhandel.
‘Tussen de lijntjes. Psychiatrie en graphic novel’ vond plaats op 15 oktober 2026 bij UPC KU Leuven, campus Kortenberg. Randall Casaer tekende de hele dag live commentaar.






