Een vast contract voor onbepaalde tijd geldt op de arbeidsmarkt als de ultieme droom voor wie bestaanszekerheid zoekt. Wie tekent, zit gebakken voor het leven. In het universum van Zombillenium krijgt die bureaucratische term een wrange lading. Je tekent met je ziel voor de eeuwigheid en de enige ontslagregeling is de echte dood. Ooit gooide Dupuis na drie vertaalde albums de handdoek in de ring. Nu brengt uitgeverij Lauwert onder het label Tzooz voor het eerst alle zes de delen samen in één vuistdikke bundel. Wie die driehonderd pagina’s achter elkaar uitleest stuit al snel op de breuklijn tussen twee volstrekt verschillende verhalen onder dezelfde vlag.
In de eerste albums profileert de strip zich als een rake werkvloersatire. Aurélien Zahner is een mislukte overvaller met een gestrand huwelijk. Hij belandt na een dodelijk ongeval tegen wil en dank op de loonlijst van een griezelpark. De verhoudingen zijn meteen herkenbaar voor iedereen die ooit op kantoor heeft gewerkt. Francis von Bloodt is de vampierdirecteur die spartelt tussen vaderlijke zorg voor zijn personeel en blinde paniek voor de aandeelhouders. Gretchen dartelt er tussendoor als brutale heksenstagiair. Ondertussen klaagt een koppige zombievakbond over de arbeidsomstandigheden en eist het bestuur ieder kwartaal hogere targets.
Die grappen werken goed omdat het decor klopt. Het pretpark ligt midden in de grauwe mijnstreek van Noord-Frankrijk, tussen de bakstenen rijtjeshuizen en onder loodgrijze luchten. De locatie spreekt boekdelen. Waar vroeger kompels steenkool dolven, draait nu een fabriek voor goedkoop vermaak op de resten van een ingestorte industrie. In het tweede deel levert dat venijnige frictie op. In een streek waar een kwart van de bevolking thuiszit, weigert het park levende krachten aan te nemen. De woede van de buurtbewoners over banen die naar ondoden gaan, spiegelt het rechtse geklaag over migranten op de arbeidsmarkt. Wanneer een verplichte teambuilding wordt verstoord door boze dorpelingen, blijkt hoe sterk De Pins de traagheid beheerst. De beste pagina’s drijven op het ongemak van stroeve vergaderingen en uitgebluste monsters die wachten op het einde van hun dienst.
Het derde deel vormt het kantelpunt. Een gladde crisismanager meldt zich om in opdracht van grootaandeelhouder Behemoth het rendement op te schroeven. Dat rendement wordt in zielen afgerekend. Hoofdpersoon Aurélien glijdt af naar een gitzwarte burn-out omdat hij beseft dat zijn doelloze baantje tot in de eeuwigheid doorgaat. Juist op dat hoogtepunt van cynisme kantelt de opzet. De losse grappen maken plaats voor een doorlopend actiefeuilleton, de kantoorhumor verdwijnt naar de achtergrond en het album sluit af met een zware cliffhanger.
Visueel koos De Pins vanaf het begin voor een eigenzinnige aanpak. Hij was een van de eersten die zijn pagina’s van begin tot eind met strakke vectorlijnen opbouwde in Adobe Illustrator. Zonder potloodschetsen, haperingen of zichtbare penseelstreken levert dat gladde figuren op die door zacht kleurverloop ruimtelijk van het papier spatten.
In de eerste drie delen sluit die stijl naadloos aan bij het onderwerp. De vectorlijn bouwt de gladgestreken droomwereld die je verwacht van een reclamefolder voor een commercieel attractiepark. De rottende huid van een zombie oogt even gelikt als het logo van een beursgenoteerd bedrijf. De monsters fungeren als gerecyclede iconen uit de popcultuur, ingezet als herkenbare merken op de werkvloer. De personeelsbezetting volgt bovendien een keiharde klassenindeling: de vampiers bezetten de directiekamer, weerwolven regelen het middenmanagement en de ontbindende zombies doen het zware sjouwwerk. Heksje Gretchen krijgt als enige wat meer diepgang, al vertoont haar getekende silhouet verdacht veel overeenkomsten met de rondborstige dames uit het vroegere licht erotische tekenwerk van de auteur in Schatjes.
Die klinische strakheid gaat gaandeweg echter wringen. Iets dat perfect past bij de neppe glans van een directiekamer, schiet tekort zodra het verhaal omslaat naar knokpartijen. Een zwaardgevecht tussen vampiers boven op een rijdende achtbaan oogt technisch knap, maar mist elk gewicht. Omdat er nergens kleding scheurt, zweet vloeit of materiaal breekt, voel je als lezer geen enkele dreiging.
Tussen het derde en vierde album gaapte een gat van vijf jaar, waarin De Pins werkte aan de bioscoopfilm. Die animatieversie schoof Gretchen naar voren en drukte Aurélien naar het tweede plan. Toen de strip in 2018 terugkeerde nam die koerswijziging het roer volledig over.
De spitse kantoorkritiek degradeert in de tweede helft van het boek tot behang voor een ingewikkelde mythologie. Plotseling duiken er demonenraden met ambtelijke bordjes op, is er een geheim vluchtnetwerk voor zielen en een concurrerende tovenares. In deel vier zet de grote baas zijn hele pretpark op het spel in een heksenstrijd, zonder dat duidelijk wordt waarom hij dat risico neemt. Voor een universum dat steunde op strakke kwartaalcijfers en aandeelhoudersdruk vloekt zo’n ondoordachte gok met de eigen wetten van het verhaal.
De maatschappelijke knipogen verliezen hun scherpte. Wanneer het personeel tijdens een zwarte vrijdag de bezoekers mag opvreten, blijft wat een bijtende sneer naar koopzieke consumenten had kunnen zijn, steken in luidruchtig actiegedoe. Het dieptepunt volgt in het slotdeel, waar de lezer eerst een dubbele pagina met spelregels moet doornemen om het toernooi te snappen. Zodra een satire een handleiding nodig heeft, is het doel belangrijker geworden dan de inhoud. De apotheose leest als het verslag van een realityshow waarin de lezer op de tribune zit. Daarmee wordt de kritiek op sensatiezucht precies het hersenloze spektakel dat ze ooit op de hak nam. Protagonist Aurélien raakt ondergesneeuwd als figurant, terwijl een plottwist rond een bijfiguur gevaarlijk dicht tegen goedkope soap aanschuurt.
De integrale brengt daarmee een opmerkelijke paradox met zich mee. Waar de laatste delen destijds los nauwelijks te volgen waren zonder de hele voorgeschiedenis paraat te hebben, brengt deze dikke uitgave lijn in het geheel. Tegelijkertijd maakt datzelfde formaat pijnlijk duidelijk waar de reeks ontspoort.
De eerste drie albums behoren tot het beste kantoorprotest dat het weekblad Spirou (Robbedoes) de afgelopen decennia liet zien. Het is een jeugdstrip die heerlijk inwrijft dat werken een hel kan zijn en dat je baas je ziel opeist. De latere keuze voor popcornvermaak is begrijpelijk door het succes van de film en het tekenwerk blijft tot de laatste bladzijde virtuoos. Toch eindigt de rit als een keurig gepoetste kermisattractie waarin alle karretjes soepel over de rails glijden en niets nog schuurt. Wie het park binnenstapt voor de eerste drie albums krijgt satire van de bovenste plank. Wie blijft voor de finale, ziet het park zijn eigen marketing geloven.
Arthur de Pins – Zombillenium (integraal). Tzooz (Lauwert). 304 blz. hardcover. € 59,99






