Nieuwsbrief

Artikelen

Een andere blik op strips: de rol van uitgevers

De strip heeft al tal van veranderingen doorgemaakt. Stripmakers spelen hierbij uiteraard een cruciale rol, evenals striplezers. Uitgeverijen zijn echter ook van belang: zij brengen strips al dan niet op de markt. In 2012 ben ik gepromoveerd op een studie naar de dynamiek in de niche van stripuitgevers in de Lage Landen, en hoe die samenhing met ontwikkelingen van strips zelf. In dat proefschrift stipte ik een onderwerp aan waarvoor mij toen de tijd ontbrak om het verder uit te werken: de verhouding tussen verschillende soorten stripuitgeverijen, en de impact daarvan op veranderingen van de strip in Nederland en België.

In de jaren na 2012 heb ik gedetailleerde gegevens verzameld met betrekking tot de achtergrond van stripuitgevers, die mij in staat stelden om dit deel van het verhaal completer te maken. De resultaten van dat onderzoek zijn eerder dit jaar gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Creative Industries Journal. De bevindingen in dat artikel zijn wellicht ook interessant voor lezers van 9e Kunst.

Algemene uitgevers en specialisten

Centraal in het artikel staat de invloed van de achtergrond van de uitgevers op hun houding ten aanzien van strips. Om grip te krijgen op die achtergrond, heb ik een indeling in twee categorieën uitgevers gemaakt, die ik heb overgenomen van eerder onderzoek, dat zich ook richt op de invloed van verschillende categorieën organisaties op de ontwikkeling van een complete populatie. Deze onderzoeksrichting wordt aangeduid als organisatie- of populatie-ecologie. De eerste categorie bestaat uit organisaties die een achtergrond hebben in een andere sector dan die van het product dat centraal staat: zogenaamde ‘de alio’ organisaties. In de stripwereld gaat het veelal om algemene uitgevers van kranten, boeken of tijdschriften, die daarnaast ook strips hebben uitgegeven. De andere categorie betreft organisaties die zich vanaf het moment van oprichting hebben toegelegd op het product in kwestie (hier dus: strips). Dit zijn ‘de novo’ organisaties. Uit onderzoek in andere bedrijfstakken is gebleken dat als een product nieuw is, dit vaak op de markt wordt gebracht door de alio’s, en dat pas als het product meer wordt geaccepteerd en er meer afzet mogelijk is, er ook de novo’s bij komen, die zich helemaal toeleggen op dat product, of op de niche rond dat product. Als er geen de novo’s ontstaan, of als die alleen een kleine minderheid blijven vormen, is een niche meestal gedoemd weer te verdwijnen.

Uit de database die ik voor mijn dissertatie had gebruikt, en die ik via SDCN had gekregen, kon ik de namen van alle uitgeverijen van strips in Nederland en België overnemen. Ik heb zelf vervolgens nagegaan voor elke uitgeverij of het nu een de alio of een de novo stripuitgever was. In het proefschrift beperk ik me nog tot een steekproef van ruim 300 uitgevers, maar volgens de maatstaven van populatie-ecologisch onderzoek is een steekproef niet voldoende: dezelfde gegevens van alle organisaties zijn nodig voor het complete beeld. Ik heb daarom na mijn promotie aanvullende gegevens verzameld, zodat ik uiteindelijk alle uitgevers van een label (de alio of de novo) kon voorzien. In totaal ging het om bijna 1200 uitgevers. Daarna kon ik kijken hoe lang de verschillende soorten uitgevers actief waren, wat en hoeveel ze op de markt brachten, hoe groot de hele populatie in een bepaald jaar was, en of en in hoeverre de verhoudingen tussen de aantallen van beide groepen wijzigden. Ik richtte me met name op de periode 1945-1994 (voor 1945 waren er niet veel veranderingen, en in 1994 eindigde de database).

Deze gegevens heb ik gecombineerd met een algemene schets van veranderingen in de stripwereld. Hiervoor heb ik naast algemene striphistorische literatuur eigen case studies van vier Nederlandse en Belgische stripuitgevers verwerkt: VNU, Dupuis, Oog & Blik, en Bries. De eerste twee hiervan zijn de alio uitgever, de laatste twee de novo’s. In die case beschrijvingen, die in uitgebreidere vorm ook deel uitmaken van mijn proefschrift, sta ik stil bij veranderingen in hun uitgavenbeleid, en in hun houding ten opzichte van strips.

Figuur 1
Figuur 1: De alio and de novo uitgevers van stripalbums (1858-1994).

Tot aan de jaren 1970 waren de alio’s ver in de meerderheid, daarna zijn de novo’s in opkomst, en sinds het eind van de jaren tachtig (dus pas laat in de onderzoeksperiode) zijn de novo stripuitgevers in de meerderheid (zie Figuren 1 en 2). Dit loopt parallel aan veranderingen in de stripproductie, die ik ook kon afleiden uit de database: lange tijd lag het zwaartepunt op striptijdschriften, maar vanaf de jaren zeventig verschuift dit naar stripalbums. Albums vormen de hoofdmoot van het stripaanbod vanaf midden jaren tachtig (zie Figuur 3), en met name de novo’s hebben zich hierin gespecialiseerd.

Figuur 2
Figuur 2: Verhoudingen tussen de alio and de novo uitgevers van stripalbums (1945-1994).

Het strippubliek veranderde ook: er ontstonden meerdere segmenten, waaronder één met een meer volwassen publiek, dat hogere eisen stelde aan een strip, en ook een voorkeur had voor stripalbums boven striptijdschriften. Een en ander leidde tot meer aandacht vanuit de uitgevers voor de inhoud van de stripalbums en voor de makers daarvan.

Figuur 3
Figuur 3: De productie van Nederlandstalige stripalbums (blauw) en nummers van striptijdschriften (groen) in de periode 1945-1998.

Veranderingen in de blik op de strip werden onder meer geïnitieerd door tekenaars en de novo uitgevers. Sommige van die uitgevers waren gelanceerd door tekenaars, zoals Joost Swarte, die vanaf het begin actief betrokken was bij Oog & Blik. De alio’s werden tot op zekere hoogte gedwongen om mee te gaan in deze meer op esthetiek en artiesten gerichte benadering. Als ze dat niet deden, ruimden ze uiteindelijk veelal het (strip)veld. In België lukte het de alio’s beter om zich aan te passen dan in Nederland, vooral door de sterkere stripcultuur aldaar.

Conclusies

Mijn algemene conclusie is dat de wisselwerking tussen de alio’s en de novo’s heeft bijgedragen aan een andere identiteit van de stripuitgeverssector, waarin een eenzijdige focus op de markt plaats maakte voor een praktijk waarin ook de strips zelf en hun makers meer aandacht kregen. Een interessante nevenconclusie is dat in bepaalde bedrijfstakken in de cultuurindustrie (waaronder dus die van de strip) het niet per se alleen grote organisaties zijn die de toon zetten. Uit mijn bevindingen blijkt dat het beleid van de doorgaans kleine de novo’s gevolgen heeft gehad voor de vaak veel grotere de alio stripuitgevers. Deze ontwikkelingen vertonen gelijkenis met die in de popmuziek, waar in ongeveer dezelfde periode kleine, onafhankelijke platenmaatschappijen de ‘majors’ in de muziekindustrie dwongen om meer te letten op serieuzere vormen van popmuziek en de makers daarvan, omdat anders veel nieuw talent, en ook nieuw publiek, aan hun neus voorbij zou gaan.