Nieuwsbrief

Artikelen

Graphic journalism avant la lettre door Harvey Kurtzman en Robert Crumb

Wie de term ‘graphic journalism’ of ‘comics journalism’ bezigt, komt al snel op de proppen met Joe Sacco als één van de grondleggers. Sacco’s werk is ontegenzeggelijk belangrijk en ook zeker de moeite waard om te lezen, maar graphic journalism behelst meer dan zijn prachtig gedetailleerde reportages over conflictgebieden. Zo is er bijvoorbeeld veel graphic journalism online te vinden, van The Nib, reportages in The New York Times tot het Nederlandse platform Drawing the Times. Waar Sacco ons dikke pillen geeft (zijn laatste werk Paying the Land is maar liefst 260 pagina’s), doen deze online platforms meer recht aan wat doorgaans als traditionele journalistiek wordt gezien: korte strips behandelen actuele zaken en stellen prangende sociaaleconomische, culturele en humanitaire problemen aan de kaak.

Harvey Kurtzman Esquire-James-Cagney-3a-strip

Er zijn echter ook een aantal grote striplegendes die al ver voor Sacco reportages optekenden, waaronder Harvey Kurtzman en Robert Crumb. Dit is minder bekend werk dat wel wat extra aandacht verdient, al was het maar omdat we veel herkenbare elementen van hedendaags graphic journalism terugzien bij deze twee voorlopers. Zo maakte Kurtzman in de jaren ’50 en ’60 een aantal visuele reportages voor tijdschriften als Esquire, TV Guide en Madison Avenue Magazine. In 1959 bezocht hij voor Esquire de filmset van Shake Hands with the Devil in Dublin, waar James Cagney in schittert als IRA-leider. Het resultaat, assignment: James Cagney in Ireland, is een korte strip van 4 pagina’s.

Het opent met een paginagrote afbeelding van een drukke straat Dublin. Het is een soort zoekplaatje waar van alles op te zien is, inclusief een standbeeld dat wordt opgeblazen, twee leprechauns die met een pot goud heulen, en James Cagney zelf die voortschrijdt, in zijn kielzog gevolgd door Kurtzman. De reportage is lichtvoetig en met kwinkslagen; zo vraagt een wat karikaturale versie van Kurtzman—voorovergebogen, met een grote pet op zijn hoofd en een tekenblok onder zijn armzich af hoe zijn eerste ontmoeting met Cagney zal verlopen. Kurtzman vreest het ergste, hij stelt zich voor dat Cagney hem een draai om de oren zal geven (‘OK sucker what’s the angle?’), maar de realiteit blijkt alleszins mee te vallen. Cagney, getekend met hoekige kaken en strenge wenkbrauwen, blijkt ervan te houden om op de set te dansen, en de hele crew doet mee als ware het een musicalepisode.

Kurtzman laat ook zien hij Cagney vergezelt naar een typisch Ierse hurlingwedstrijd, waar Cagney prompt wordt herkend en het publiek over zich heen krijgt. Kurtzman sluit af zijn bezoekje af met wederom een bijna paginagrote afbeelding van de filmset (waar Cagney niet op te vinden is). ‘I have great sketches of Cagney and his new mustache. I have especially detailed sketches of his mustache’ verkneukelt Kurtzman zich wanneer hij Ierland verlaat. ‘Ah-by the way, Jimmy shaved his mustache off this morning’ antwoordt een assistant terloops. Het laatste beeld toont een gefrustreerde Kurtzman die met zijn gum in de aanslag de besnorde schetsen van Cagney te lijf gaat.

Ook Robert Crumb, groot geworden door zijn grensoverschrijdende werk in de underground comix scene, maakte eerder in zijn carrière een aantal reportages voor Kurtzmans satirische magazine Help!, waaronder een reisverslag naar Bulgarije (1964) en zijn impressies van de bekende wijk in New York in Harlem Sketchbook (1965). Crumbs reis naar Bulgarije is opgetekend in korrelige zwart-wit beelden met veel lijnen en arceringen. Met droge toon laat Crumb zien hoe het communistische Bulgarije onder het juk van de Sovjet-Unie massaal propaganda inzet om individuele creativiteit te ontmoedigen. Ook Crumb toont zichzelf in de reportage, niet in de seksbeluste onderbuikversie die we vaak terugzien in zijn undergroundwerk, maar als een wat meer gematigde waarnemer (hij blijft op de achtergrond, draagt een pak en heeft zelfs een nette scheiding). Saillant detail is dat Crumbs ogen vaak verscholen blijven achter zijn brillenglazen. Dit wordt vaak gezien als Joe Sacco’s handelsmerk en zijn manier om zichzelf als filter of mediator van het verhaal weer te geven. De brillenovereenkomst maakt nog maar eens duidelijk in hoeverre Sacco geïnspireerd is door zijn voorlopers uit de jaren ‘60 en ‘70.

Crumb wil graag wat van het echte leven in Bulgarije zien in plaats van de toeristische trekpleisters, en in een kastje-en-de-muur situatie met de Committee for Friendly Foreign Relations en de Tourist Agency wordt getoond hoe dergelijke humanitaire interesse sterk ontmoedigd wordt. Toch weet Crumb een mooi inkijkje te geven in het wrange contrast tussen het leven van gewone mensen en de communistische ideologie. Dat doet hij vooral treffend door zijn beeld en onderschrift te laten wringen: een tekening met dansende mensen wordt vergezeld door de opmerking ‘They would like to do the twist but it’s against the law’ en boven een uitermate naargeestige tekening van een lopende band in een fabriek met propagandaposters op de muur staat de tekst ‘Factory workers are more productive in colorful inspiring surroundings’.

Wat opvalt aan het werk van beide heren is dat ze een aantal elementen aanbieden die we ook in het werk van meer contemporaine stripjournalisten terug zien komen: een oprechte interesse in de ander, de toeschouwer die met verbaasde, empathische maar ook licht ironische blik de wereld om zich heen vastlegt, en de aanwezigheid van deze toeschouwer als stripavatar in het werk zelf. Kurtzmans stuk is natuurlijk een stuk lichtvoetiger dan veel van de stripjournalistiek van de laatste decennia, maar de mildironische toon van zijn reportage en een korte verwijzing naar de politieke situatie (‘they blew up the statue opposite the hotel yesterday, but otherwise Dublin is quiet’ zegt zijn ontvanger op het vliegveld – dit zien we ook terug in het openingsbeeld) maakt het toch meer dan enkel visueel entertainment. Crumb wil meer over Bulgarije te weten komen door goed te observeren en met mensen te praten – in gesprekken met een kunststudent en een elektricien wordt duidelijk hoe collectieve ideologie en individuele beleving uiteenlopen. Deze methode van kijken, praten en schetsen is zeker te scharen onder de noemer van graphic journalism. Het resultaat geeft een klein maar scherp geobserveerd inkijkje in het Bulgarije van de jaren ’60.