Nieuwsbrief

Artikelen

In memoriam: Richard Corben (1940-2020), ijverige en ongeëvenaarde undergroundlegende

Het jaar 2020 bracht – het hoeft niet benadrukt te worden – vele onaangename verrassingen en hoewel idolen zoals iedereen onvermijdelijk sterfelijk zijn, is alle aandacht voor undergroundlegende Richard Corben op zijn plaats. Corben overleed onverwacht op 2 december 2020 na een hartoperatie. Op 80-jarige leeftijd was hij onverminderd actief als stripauteur. Sterker nog, hij bleef onvermoeibaar schaven aan zijn stijl.

Wie hem slechts kent van DEN of de korte undergroundverhalen die in de jaren ’70 en ’80 vertaald zijn voor het Nederlandse striptijdschrift 1984, zal verrast zijn door zijn modelstudies van de laatste jaren op corbencomicart.com. Hij liet zich in –schaarse – interviews kennen als een buitengewoon bescheiden artiest, die altijd ruimte zag voor verbetering en oprecht verbaasd was vanwege de bewondering die hij van fans ontving.

Veelzeggend: veel van die fans zijn tekenaars. Het is een troostrijke gedachte dat Corben nog bij leven in 2018 de Grand Prix van Angoulême heeft mogen ontvangen – dit is een publieksprijs waar professionals hun stem voor uitbrengen. Nog veelzeggender: hoewel de stripwereld vergeven is van epigonisme en imitatie, is er niemand die in de buurt van Corbens werk kan komen, zo uniek zijn diens stijl en werkwijze.

Wanneer het begrip ‘underground’ wordt genoemd, denkt de gemiddelde stripkenner het eerst aan Robert Crumb en dat is niet onterecht. Corben is echter ongeveer tegelijkertijd aan zijn loopbaan begonnen, voornamelijk in het SF- en horroridioom en in die vroege jaren met een soortgelijk satirisch gehalte. Het faillissement van zijn eigen uitgeverij Fantagor in de jaren ’90 en zijn bescheiden karakter hebben hem er waarschijnlijk toe gebracht een commerciële koers te varen terwijl Crumb een gevierd en compromisloos satiricus is gebleven. Maar dan nog: het maakt niet uit hoe triviaal de opdracht was, Ninja Turtles, Aliens, Hulken of godbetert de prullerige scenario’s van Rob Zombie; Richard Corben was in staat alles adembenemend mooi op papier te krijgen. En hij deed het zonder te morren, ijverig als altijd.

Corben maakte veel kleimodellen van zijn figuren om die vervolgens langs verrassende kanten te belichten; zo creëer je een geloofwaardige biologie van je monsters. Hij bewerkte talrijke korte verhalen van H.P. Lovecraft, Edgar Allan Poe en Clark Ashton-Smith, die soms redelijk abstract van karakter zijn, maar in Corbens handen kreeg de horror een directe, vleselijke vorm.

En voor wie zich afvraagt waar zijn voluptueuze vrouwen vandaan komen: op de voortreffelijke site muuta.net kun je lezen over zijn favoriete model uit de begintijd, Karen Gilbertson. Het veelvuldig gebruik van foto’s verklaart ook waarom Corbens tekeningen soms een wat collage-achtig karakter hebben.

Sinds de prijzen voor drukwerk zijn gekelderd, zijn we al bijna vergeten hoe problematisch duur kleurendruk is geweest in het analoge tijdperk. Veel horrorstrips waren in zwart-wit, zoals in het eerder genoemde 1984, met als enige uitzondering een full colour katern op glad papier voor Corbens bijdrage.

Hoe deed hij dat? Het is geen streng bewaard geheim, maar sinds de expositie die hem in Angoulême gegund werd, is voor iedereen te zien hoe hij in grijstinten zijn pagina’s tekende en deze voor drie films (cyaan, geel en magenta) gebruikte en kleuren samenstelde door op deze afzonderlijke films delen weg te laten of op te vullen. Daar tekende hij nog zwarte lijnen overheen, samen met de tekst. Vandaar dat bijvoorbeeld zijn schaduwpartijen altijd fel paars zijn (magenta plus cyaan) en de outlines meestal moddervet om het lelijke effect van misdrukken te verdoezelen. Er is altijd gemonkel geweest over zijn harde secundaire kleuren, maar dat zal wel zijn omdat men niet op de hoogte was van dit uiterst arbeidsintensieve proces.

Zoals Corben het zelf zei: ‘mijn werk ziet eruit als een kleurentelevisie die te fel is afgesteld’. Minder vaak paste hij grijstonen op een apart vel toe en zodra digitale technieken beschikbaar werden, maakte hij daar zonder aarzeling gebruik van, maar het procédé van de aparte kleurenfilms heeft lang het volstrekt unieke karakter bepaald. Het zijn allemaal praktische keuzes en geen tekortkomingen.

Vergis je niet: Corben was als kind al een superieure tekenaar. Weinig uit zijn jeugd is bewaard gebleven, maar strips die hij maakte op 10-jarige leeftijd laten al een primitief soort DEN zien: een bijzonder begrip van regie, anatomie en belichting was toen al aanwezig. Met de term ‘genie’ dient men voorzichtig om te gaan, maar in zijn geval heb ik daar persoonlijk geen twijfel over. Animatie speelt een kleine, maar cruciale rol in Corbens oeuvre. Omdat hij altijd onafhankelijk heeft willen werken, ver weg van de grote centra in de VS (hij is altijd in Missouri blijven wonen) heeft hij zich niet veel met animatie kunnen bezighouden. Té tijdrovend. De vraag is of dat nu zo jammer is, aangezien hij in het medium van zijn eerste keuze al een meester was.

De genereuze hoeveelheid bloot en seks in Corbens werk, zeker vóór de jaren ’80, heeft vaak tot de beschuldiging van seksisme geleid. Onterecht. Wie voorbij de kolossale borsten van zijn vrouwelijke personages kijkt, ziet ook buitengewoon weelderige mannen, om te beginnen DEN. Corben is consequent: hij overdrijft alles – net als zijn kleuren. En hij doet het met een zelfbewust gevoel voor ironie. Vreemd genoeg wordt vaak vergeten dat hier óók een verhalenverteller aan het werk is. De stripwereld biedt meer dan genoeg porno en hentai, slechts gemaakt om de lezer op te winden. Corben geeft daarentegen om het gevoelsleven van zijn personages.

Den mag dan het lichaam van een god hebben en nogal wat vrouwen die zich aan hem opdringen, hij is allesbehalve een macho. Katherine, de Rode Koningin, Muuta, Wyn, bij geen van hen wordt Den gelukkig. Vergeet zijn spierbundels en zijn paardenpik en je ziet een edelmoedige, bijna naïeve padvinder die alleen maar wil helpen. Den wordt voortdurend gemanipuleerd en bedrogen door de inheemse bewoners van Nooitland. Zeker, er zijn in de DEN-cyclus redelijk wat seksscènes, maar hardcore zit er niet bij en in het is eerder liefde waar Den, in feite een soort alter ego van Corben, op uit is.

Dit gegeven wordt ook geïllustreerd door een kort horrorverhaal uit 1971, Horrible Harvey’s House, dat zich laat lezen als een moderne studie van gaslighting. Een stel belandt bij een vervallen landhuis. Meneer wil een ‘experimentele’ film maken, gedraagt zich als een manipulatieve eikel en zij moet al snel uit de kleren. Na een verwarrende nacht draait het erop uit dat het meisje hem verlaat voor de bewoner van het landhuis. Harvey mag dan gruwelijk misvormd zijn, typisch een Corbeneske creatuur, maar dat geeft niks. Echte liefde, mensen!

Behalve seks en horror bevat Corbens werk ook veel humor en zelfironie, met mijns inziens als hoogtepunt de episode in de Densaga waarin Den depressief, zwak en moddervet is geworden. Het is waar dat vaak de hulp van schrijvers als Jan Strnad of Simon Revelstroke is ingeroepen, maar ik zou Corben als scenarist zeker niet onderschatten, ook al zijn zijn thema’s vaak volkomen pretentieloos en herhalend. Het zal de werkdruk zijn geweest: net als geniale tekenaars als Crumb of Moebius was Corben waanzinnig productief. Om daar een indruk van te krijgen, raad ik een bezoekje aan muuta.net aan, voor een compleet overzicht.