Nieuwsbrief

Artikelen

Samenwerking vergt lef en een serieuze blik: niet met de ruggen naar elkaar toe

Jos van Waterschoot is stripconservator van Allard Pierson, de erfgoedorganisatie van de Universiteit van Amsterdam. 

Meningen zijn niet waar of onwaar, ze helpen een discussie op weg

Tonio van Vugt en Natasja van Loon reageerden uitgebreid op het rapport van Jan Venselaar dat hij schreef naar aanleiding van een verzoek van de Stichting AAStrips om te inventariseren hoe de stand van zaken is in de stripwereld. Bestuursleden van de stichting gaven Venselaar een lange lijst van namen mee en ook de geïnterviewden, van wie ik er overigens één was, noemden op hun beurt weer namen. Hij heeft daarop flink wat mensen benaderd uit alle geledingen van de stripwereld en kreeg net zo vaak een positieve als een negatieve reactie. Blijkbaar wil een deel van de stripwereld liever de kaarten tegen de borst houden of was men simpelweg niet geïnteresseerd mee te doen. Dat is vanzelfsprekend ieders goed recht, maar daardoor moest Venselaar dus roeien met die riemen die hij had.

Een van hun eerste kritiekpunten is verheven tot titel van hun repliek op het rapport, het zou slechts om ‘een verzameling tegenstrijdige meningen’ gaan. Vervolgens stellen zij zich de vraag of ‘het echt zo slecht met de strip in Nederland als het rapport van Jan Venselaar ons voorspiegelt?’ Om die vraag vervolgens te beantwoorden met een tegenstrijdige mening: ‘Ja en nee, vinden wij.’ En dat is nu precies wat de opdrachtgevers oorspronkelijk beoogden met het verzoek aan Jan Venselaar: inventariseer nu eens wat de meningen zijn in het Nederlandse striplandschap over dat landschap. Of die meningen ‘waar’ zijn is niet relevant, een mening is immers maar een mening. Maar het laat wel zien hoe mensen die dagelijks bezig zijn met strips die wereld waarnemen en ervaren.

Of die meningen ‘waar’ zijn is niet relevant, een mening is immers maar een mening

Nu ben ik zelf dagelijks druk bezig met strips en de stripwereld. Ik werk als conservator van een zeer omvangrijke, met wetenschappelijk oogpunt aangelegde stripverzameling , die deel uitmaakt van Allard Pierson, de erfgoedorganisatie van de Universiteit van Amsterdam.
Deze oorspronkelijk als Stripdocumentatiecentrum Nederland aangeduide verzameling is in de vijftig jaar van haar bestaan fors gegroeid en kent thans circa 50.000 stripalbums, ongeveer even veel originele tekeningen en pagina’s, en duizenden titels secundaire literatuur en tijdschriften. Ook hou ik zoveel als mogelijk bij wat er speelt in de stripwereld om mensen die zich tot mij wenden zo optimaal mogelijk te kunnen bedienen. De collectie is online raadpleegbaar en wordt steeds beter toegankelijk door de inhaalslag die de laatste jaren gepleegd is bij de ontsluiting daarvan. Ik heb daarvan met enige regelmaat verslag gedaan in artikelen en lezingen en velen weten de weg naar ons ‘stripcentrum’ te vinden. Des te opmerkelijker is het volgende citaat in het stuk van Tonio en Natasja: ‘Er zijn in het verleden natuurlijk talloze initiatieven ondernomen om een ‘kenniscentrum’ voor het beeldverhaal op te zetten, maar tot nu toe kan geen één echt geslaagd worden genoemd.’

Geen communicatie, de kat uit de boom kijken en aftaaien

Bij mijn aantreden als beheerder van dit documentatiecentrum nu vijftien jaar geleden besloot ik eerst eens te inventariseren wie welke rol speelt in de stripwereld en probeerde ik met zoveel mogelijk partijen in contact te treden. Ik constateerde toen dat er weinig met elkaar gecommuniceerd werd en dat bestaande partijen de neiging hadden zichzelf als de belangrijkste te beschouwen en af te wachten tot anderen dat zouden inzien en zich vervolgens zouden melden. Vandaar dat ik in 2007 het LOS (Landelijk Overleg Striperfgoed) heb opgericht en daarvoor een aantal partijen aan tafel wist te krijgen. Zo zaten de Koninklijke Bibliotheek (als landelijk stripdepot), de Bibliotheek Rotterdam (met een grote historische stripcollectie), de Stichting Beeldverhaal Nederland/Stripdagen Haarlem (Joost Pollmann), Stripschrift (Arco van Os), Het Stripschap (Meerten Welleman), Stripmuseum Groningen (met wisselende personen), Kees Kousemaker, Hans Matla en ikzelf als vertegenwoordiger van het Stripdocumentatiecentrum aan tafel.

Bedoeling was dat het LOS als vertegenwoordiging van de stripwereld naar buiten zou gaan treden en gezamenlijk een kenniscentrum, liefst het onze natuurlijk, als centraal coördinatiepunt voor striperfgoed en –kennis vast te stellen en vorm te geven. Het initiatief liep na een stuk of tien vergaderingen in twee jaar spaak omdat enkele partijen samenwerking niet nodig vonden of zichzelf al als nationaal stripcentrum beschouwden en eenvoudigweg geen belangstelling hadden in samenwerking. Ik heb me daarna ingespannen om in elk geval mijn eigen kenniscentrum uit te breiden en me met het ‘veld’ te verstaan over behoeftes en het bevorderen van samenwerking. Inmiddels had ik er een taak bijgekregen als conservator boekhistorische collecties, wat me de mogelijkheid verschafte om me nu ook actiever met het stripuitgeefvak bezig te houden en te trachten stripuitgeversarchieven te verwerven, of er in elk geval voor te zorgen dat ze bewaard worden zodat ze te zijner tijd beschikbaar komen voor onderzoek.

LOS liep na een stuk of tien vergaderingen in twee jaar spaak omdat enkele partijen samenwerking niet nodig vonden of zichzelf al als nationaal stripcentrum beschouwden en eenvoudigweg geen belangstelling hadden in samenwerking

Zoals nu blijkt is dit alles Tonio en Natasja ontgaan óf ze vinden het eenvoudigweg niet de moeite van het noemen waard. Dat is betreurenswaardig en jammer, maar het geeft naar mijn smaak heel goed aan waar het in de stripwereld daadwerkelijk aan schort. Er is namelijk niet zo heel veel veranderd sinds de mislukking van het LOS. De paar partijen die uitsteken boven het maaiveld van de productie van en handel in strips vinden zichzelf zó belangrijk dat ze geen enkele neiging vertonen om eens om zich heen te kijken. Pas als een rapport als dat van Jan Venselaar verschijnt, hebben ze de neiging dáár iets van te vinden, maar vooral zich ertegen af te zetten, om vervolgens te bepleiten dat hun eigen clubje de oplossing kan bieden voor alle malaise en écht het beste zou kunnen dienen als nationaal overlegorgaan.

Pessimisme kenmerkt de sfeer in de stripwereld

En dát is nu precies wat mij zo pessimistisch stemt als het gaat om de sfeer in de stripwereld, of eigenlijk meer rónd de stripwereld. Er zijn een paar clubjes actief en die staan met de rug naar elkaar toe. En als je verdacht wordt bij een van die clubjes te horen, krijg je een stigma van de ander en word je genegeerd. Gelukkig ben en blijf ik optimistisch over de stripmakers en hun producten die mij veelal weten te vinden, evenals uitgevers, journalisten, wetenschappers en andere in strips geïnteresseerden. Er verschijnt veel moois en er gebeurt zó veel wat het de moeite van alle inspanningen waard maakt! Niet voor niets sloot ik mij graag aan bij het initiatief voor de Stripmaker des Vaderlands, de zoveelste poging een boven de partijen staande instantie te creëren.

Het feit dat de grootste universiteit van Nederland bereid was en is een kenniscentrum voor strips in stand te houden, is op zichzelf al geweldig. Door uitwisseling van kennis en ervaring, bijsturen, tips geven, behoeftes formuleren waaraan een wetenschappelijk instituut met enige inspanning zou kunnen voldoen, zou er een nog breder gedragen kennisinstituut kunnen bestaan. Ik zie uit naar nóg meer samenwerking, met wie dan ook.