Nieuwsbrief

Charlotte-van-Hacht
Artikelen

Meerkleurendruk graag! Tijd voor de dekolonisatie van de strip

Koloniale clichés zijn zo taai als zombies. Witte lezers vallen er minder over, maar zij zijn nooit het lijdend voorwerp geweest van een blik die hen reduceert tot stereotypen. Nochtans is het probleem al bekend van voor de ‘politieke correctheid’: naast Kuifje in Congo is er immers ook De Blauwe Lotus, een vroeg voorbeeld van diversiteit in strips. En een bewijs dat hoe waarachtiger en persoonlijker een verhaal is, des te universeler zijn uitstraling.

Headerillustratie: Charlotte van Hacht

 

Bijna had Mami Wata (2017) van Suske en Wiske op alle banken goede punten gescoord, met onder meer de zwarte politie-inspectrice en dialogen in correct Swahili. Jammer dus van die Afrikaanse visser met zijn dikke lippen: dat beeld kwetste Belgen met een kleurtje. Nozizwe Dube, voorzitster van de Vlaamse Jeugdraad, en journaliste Dalilla Hermans riepen lezers op om een niet-kwetsende versie te tekenen. Op een paar uur hadden ze tientallen alternatieven.

Suske en Wiske: Mami Wata

Waarom blijven tekenaars clichés gebruiken die zo makkelijk te vermijden zijn? “Stereotypes besparen je tijd”, zegt cartoonist Lectrr, “een man met blote armen en tatoeages is een motard.” “Stereotypes zijn een soort steno voor tekenaars”, bevestigt striptekenaar Barly Baruti. “Maar er is een verschil tussen een Schot in een kilt en een Afrikaan van wie zijn lippen een half gezicht innemen.” “Het probleem is dat blanke mensen volgens mij heel moeilijk racistisch af te beelden zijn”, zegt Lectrr. Als je hun fysieke kenmerken overdrijft, maak je een karikatuur. Die kan beledigend zijn voor dat individu, maar de tekenaar serveert er geen hele groep mee af. Dat gevoel kennen blanken niet.

Stereotypes zijn natuurlijk maar een schakel in een groter systeem waarin Aziaten altijd wreed zijn, en Afrikanen altijd dom en laf. In De hoorn van de neushoorn (1955) worden Robbedoes en Kwabbernoot in de steek gelaten door hun gids, in Het mysterie van de luipaard-mannen (1990) nemen de dragers van Tiger Joe de benen. Het cliché van de laffe Afrikaan is vertaald naar alle ‘exotische’ volkeren. In Het gebroken oor (1937) laat Kuifjes kanovaarder Caraco hem in de steek omdat hij niet naar de woeste Arumbaya’s wil varen. Ondanks die ontrouw zet de blanke held (de held is altijd blank) probleemloos zijn avontuur verder. Je vraagt je af waarom hij de moeite blijft doen om hulp in te huren. Te lui om zijn eigen valiezen te dragen misschien?

Zwarten praten in strips vaak kromtaal . “Een negerke … en dat moet ik deftig leren spreken … amaai”, zegt Jommeke in De zingende aap (1959)

Als zwarten dan een keer niet dom zijn, zijn het wel wilden die blanken in kolossale kookpotten duwen. “Gij veel geluk hebben! Wij soep van u maken!”, zegt de kok van de Jambaba’s in De vliegende aap (1948) tegen Suske en Wiske. “Mmm! Gij lekker zullen zijn.” Want zwarten – in dit geval uit het fictieve land Dongo – praten kromtaal. “Een negerke … en dat moet ik deftig leren spreken … amaai”, zegt Jommeke in De zingende aap (1959). Ook dat stond tot de jaren 1970 als een paal boven water in Belgische strips: Belgen hadden de Congolezen in de 19de eeuw bevrijd van Arabische slavenhandelaars, en waren hen nu met vaderlijk geduld aan het beschaven.

De-vliegende-aap

Bange pygmeeën

Om striptekenaars vooral niet de zwartepiet (over hem valt ook wat te zeggen) toe te spelen: zulke vooroordelen waren niet het alleenrecht van beeldverhalen. Ze kwamen ook voor in films, popmuziek en reclame. Zelfs wetenschappers meenden in detail te kunnen vertellen welke stam geschikt was voor welk werk. Soms waren die nepwetenschappelijke studies in opdracht gemaakt van de koloniale overheid, soms citeerde die er gretig uit om haar beleid te rechtvaardigen. In Kuifje in Congo (1930) gaf Kuifje Bobbie een lesje antropologie over Congolezen die – alweer! – op de vlucht sloegen: “Pygmeeën zijn een bang volk.” In 1946 schrapte Hergé dat stukje zelf. Ook zonder dekolonisatiebeweging was duidelijk dat die plaatjes echt niet konden.

Maar de recyclage- en hommagedrang in de stripwereld zorgt ervoor dat kwalijke clichés zo taai zijn als zombies. In 2019 werd de originele versie van Kuifje in Congo weer uitgebracht, nu voor Kuifjes 90ste verjaardag. Met veel bombarie, maar zonder historische context. Moulinsart voert aan dat sommige tijdgenoten van Kuifje racistischer waren dan de reizende reporter, maar dat die strips lang zijn vergeten. En dat kinderen dol zijn op Kuifje in Afrika, zoals het nu heet. Beide opmerkingen kloppen. Maar het zijn natuurlijk argumenten om net wél uitleg te voorzien. Je kunt niet verwachten dat kinderen zullen snappen dat het om stereotypes gaat, in tegenstelling tot de academici die zich over oude strips buigen. Zeker niet als ze op school niets leren over de koloniale geschiedenis van België.

Kuifje-in-Congo‘Kuifje’ houdt zo koloniale propaganda uit de jaren dertig levend. En Moulinsart ontkent de kracht van strips, het medium dat het zelf hielp om serieus te worden genomen. Nochtans heeft het met De Blauwe Lotus ook het schoolvoorbeeld in huis van vroege diversiteit. Zhang Chongren, een Chinese kunststudent in Brussel, wees Hergé bijtijds op karikaturen. Dat Chinezen al dertien jaar geen vlechten meer droegen, bijvoorbeeld – dat gesprek tussen Hergé en Zhang keert in het album terug als een gesprek tussen Kuifje en ‘Tchang’. Een jaar lang werkten de mannen elke zondag samen aan het album. Waarschijnlijk heeft die ervaring ertoe bijgedragen dat Hergé Kuifje in Congo achteraf nog zo vaak heeft aangepast.

Hoe persoonlijker een verhaal, hoe universeler het kan worden. In de roman The amazing adventures of Kavalier and Clay, Michael Chabons dikke liefdesbrief aan de gouden periode van de comics, bedenken Joe Kavalier en Sammy Clay het personage The Escapist. De superheld bevrijdt onderdrukten; Joe Kavaliers vurige wens is dat iemand zijn familie in Praag zal redden van de nazi’s. Miljoenen lezers, niet noodzakelijk allemaal joods of afkomstig uit door nazi’s bezet gebied, konden zich levendig voorstellen hoe slecht zij onder dat soort repressie zouden varen.

Subversief of staatspropaganda?

Natuurlijk is The Escapist een versie van Captain America en staan Kavalier en Clay voor de joodse stripmakers Jack Kirby en Joe Simon. Captain America is de bekendste propagandastrip uit de geschiedenis. Maar de Captain verkocht Hitler al een uppercut in zijn eerste verhaal, een jaar voor Amerika in de Tweede Wereldoorlog stapte. De Amerikaanse regering erkende de kracht van comics; ze gaven er stapels aan het leger om de moraal van soldaten hoog te houden en om uit te delen in bevrijde gebieden. Maar ze besefte ook dat strips dubbelzinnige, zelfs subversieve media zijn. De makers tekenen voor een massapubliek, maar kunnen daarin ook nichegroepen aanspreken. Na de oorlog kregen de Amerikaanse striptekenaars te maken met strikte regels over seks, geweld en politiek – ook landen als Frankrijk voerden zulke maatregelen in.

Madame-LivingstoneBarly Baruti was al een gevierd striptekenaar in Congo toen hij besloot te verhuizen naar “de hoofdstad van het stripverhaal”. Daar bedacht hij een serie over de Franse ex-verzetsheld Mandrill om toch maar niet opgescheept te worden met de Afrikaanse thema’s die iedereen hem voorstelde. Na een pauze als striptekenaar oogstte hij lof en prijzen met graphic novels als Mevrouw Livingstone, Chaos debout à Kinshasa en Le singe jaune. “Toen ik besloot om alleen nog Afrikaanse verhalen te tekenen, werd ik bekeken als auteur van universele verhalen. Als je ergens woont, zie je verhalen die een buitenstaander niet zo snel zullen opvallen’, zegt hij. Als voorbeeld geeft hij het idee waaruit Mevrouw Livingstone ontstond. ‘Wat weten we over Livingstone? Dat hij meer dood dan levend in het dorp belandde waar Stanley hem heeft gevonden. En dat hij daar niet weg wilde. Het is toch niet onwaarschijnlijk dat Livingstone wilde blijven bij de vrouw die hem heeft verpleegd?’ Zo werd de (fictieve) zoon van Livingstone en een Congolese geboren.

Ten tijde van de legendarische boksmatch tussen Muhammad Ali en George Foreman in Kinshasa, woonde de jonge Baruti in Kisangani, in het toenmalige Zaïre. Buurland Angola was verwikkeld in de laatste stadia van een onafhankelijkheidsoorlog. In Chaos debout à Kinshasa tekent Baruti de CIA, Cubaanse revolutionairen en Amerikanen van de burgerrechtenbeweging die zich vanuit Kinshasa mengen in het conflict. En de hond van Foreman, die in de Congolese verslaggeving enige roem had verworven. “Foreman was totaal gefocust op zijn wereldtitel. Naast zijn trainingen hield hij zich alleen met die hond bezig. De Zaïrezen vonden hem maar een rare kwibus: wie is die man die meer geeft om een hond dan om mensen? Ondertussen ging Ali joggen in Kinshasa, leerde hij een paar woordjes Lingala.” Drie prentjes van de hond helpen te verklaren waarom Ali ‘de favoriet van de Afrikanen’ werd, en niet Foreman, die ook zwart was.

Belgische strips beginnen pas bij de kolonisatie, alsof Congo daarvoor niet bestond

Met die lokale blik zie je opeens ook propaganda waar blanke lezers overheen kijken. Roberto Rastapopoulos uit Kuifje, Papoulos uit Tiger Joe, de “goddeloze Griek” uit Het brandmerk van de koning van Roodbaard: slechteriken in Afrika zijn vaak Grieken. “Belgische strips beginnen pas bij de kolonisatie”, zegt Baruti. “Alsof Congo daarvoor niet bestond.” Maar het koninkrijk Kongo, in het huidige Congo en Angola, dreef al eeuwen handel met de Portugezen voor de Belgen arriveerden. “Portugezen en Grieken mengden zich wel onder de Afrikaanse bevolking, hadden kleine bedrijfjes en gingen op gelijke voet met de Congolezen om. De Belgen voerden de hiërarchie in waarbij blank en zwart werden gesegregeerd.”

Zwarte astronaut

rampokan-cover-Indonesisch
Rampokan, Indonesische editie

Nadat Peter van Dongens debuut Muizentheater in 1992 goed was ontvangen, begon hij aan een strip over de bloederige Indonesische onafhankelijkheidsstrijd na de Tweede Wereldoorlog. Voor hem was het een zoektocht naar de geschiedenis van zijn eigen familie. “Ik besefte dat ik helemaal niets afwist van het geboorteland van mijn moeder en haar ouders. Als ik op school al iets leerde over Nederlands-Indië, dan ging dat over de Vereenigde Oostindische Compagnie, de specerijenhandel, de Gouden Eeuw.” De twee verhalen van Rampokan werden eind 2018 in één band heruitgebracht. De interesse was al groot toen het eerste deel in 1998 verscheen. “Een bezetting, concentratiekampen, daarna een burgeroorlog: dat zijn ervaringen die lang doorwerken. Nederlanders van Indische afkomst hebben heftiger ervaringen gehad dan wie de oorlog in Nederland heeft beleefd. Zij waren blij dat hun verhaal – want het is niet enkel het mijne – nu ook verteld werd. Dan waren er nog de Nederlanders van wie de vader in Indonesië had gevochten. Dat was de generatie van de sixties, die vaak overhoop lag met hun vader en hem een moordenaar vonden. Toen die vaders zagen dat hun kinderen zich voor die periode begonnen te interesseren, zag je vaak een toenadering. Rampokan verscheen ook in Indonesië. Daar kenden lezers alleen het verhaal over hoe ze de Nederlanders eruit hadden geschopt. Ik ben Nederlander; ik ben hier geboren en heb die geschiedenis vanuit Nederlands perspectief geleerd. Later ben ik tot het besluit gekomen dat dit perspectief vaak verkeerd was, maar ik ken ook de verhalen van de Nederlanders die werden aangevallen door Indonesiërs. En van de Chinese Indonesiërs die door de Japanners meedogenloos werden vervolgd. Ik kan personages creëren die voor de Nederlanders hadden gewerkt en na de oorlog vogelvrij waren. Allemaal perspectieven die ze niet eerder op die manier hadden gezien.”

Judgment-DayMaakt het een verschil of iemand uit zijn eigen standpunt tekent? “Toen ik aan Rampokan begon, tekende volgens mij alleen Eric Heuvel een strip over Indonesië. Hij is niet van Indische komaf. Hij en ik zijn allebei beïnvloed door Hergé; we vinden het erg belangrijk om je goed te documenteren. Maar gevoelsmatig ligt het me nader aan het hart, denk ik. Ik wist niets van die geschiedenis, maar herkende in literatuur bijvoorbeeld meteen de verhalen die in mijn familie en in de Indische gemeenschap speelden.” Hergé heeft nooit een voet in Congo gezet. Baruti werkte in 1984-1985 in Studio’s Hergé en zag het bronnenmateriaal voor Kuifje in Congo. “Een paar exemplaren van La voix du Congolais, het blad voor Belgische kolonialen, een paar boeken over Congo die ook propaganda waren, een paar pamfletten en wat mooie prints die Hergé waarschijnlijk kocht in Parijs op de Koloniale Expo van 1931.” Striptekenaars baseerden zich op documentatie van het Ministerie van Koloniën; dat liet zelfs standbeelden optrekken met propagandadoeleinden. De angstaanjagende Luipaardman uit het AfricaMuseum van Tervuren duikt in verschillende strips op. Zo voedden populaire cultuur en propaganda elkaar.

Jaren later kwamen zwarte wetenschappers uitgever William Gaines vertellen dat ze nooit eerder een zwarte astronaut of wetenschapper in een verantwoordelijke functie hadden gezien. Dat beeld had hen een duwtje in de rug gegeven om hun droom na te jagen

De paradox is natuurlijk dat echte propagandastrips meestal vergeten zijn, omdat ze zo didactisch waren, zo drammerig, niet spannend of lelijk getekend: Korea My Home wordt alleen nog gelezen door studenten van de Koreaanse oorlog, terwijl Captain America ondertussen zelfs een filmcarrière heeft. En hardhandige pogingen tot censuur werken weleens averechts. In Judgment Day (1953) van Al Feldstein en Joe Orlando inspecteert de astronaut Tarlton een planeet waar oranje robots de blauwe robots op alle mogelijke manieren discrimineren. Tarlton oordeelt dat de planeet niet klaar is om toe te treden tot de Galactische Republiek. Pas als hij in het laatste plaatje zijn helm afneemt, blijkt dat Tarlton zwart is. Uitgever William Gaines negeerde de vraag van de censor om Tarlton wit te wassen en publiceerde het verhaal in de laatste editie van Weird Fantasy, voor hij zich volledig ging wijden aan zijn satirische tijdschrift Mad Magazine. Het was hem te doen om de fabel over burgerrechten en segregatie. Jaren later kwamen zwarte wetenschappers hem vertellen dat ze nooit eerder een zwarte astronaut of wetenschapper in een verantwoordelijke functie hadden gezien. Dat beeld had hen een duwtje in de rug gegeven om hun droom na te jagen.

Halve apen

De-blauwe-lotus“Striptekenaar is ook een beroep dat mensen ambiëren”, zegt Van Dongen. “Op het festival van Angoulême in 2019 waren we met vijf Nederlandse tekenaars, van wie er vier van Aziatische komaf zijn. Aimée de Jongh, de succesvolste beginnende auteur die het toffe oude mannenbolwerk heeft doorbroken, had toen net Bloesems in de herfst gemaakt voor Dargaud in Frankrijk. Paul Teng en Peter Nuyten worden ook allebei bij Dargaud uitgegeven in Frankrijk. En ikzelf. Dat is natuurlijk toevallig, maar het geeft je wel het gevoel: we worden gezien. Daar gaat het om.” Heeft hij, als fan van Hergé, bedenkingen bij sommige van diens albums? “Ik ben als kind fan geworden omdat De Blauwe Lotus zich in Azië afspeelde en de Japanners de slechteriken waren – mijn opa is door Japanners onthoofd, zoals je ook in De Blauwe Lotus ziet. In het album zijn alle Chinezen goed, alle Japanners clichématige slechteriken met een slecht gebit. Dat is een taalvorm, ik til daar niet zo zwaar aan. De manier waarop hij Afrikanen tekent in Kuifje in Afrika, en zelfs nog in Cokes in voorraad, toch al uit 1958, dat stuit me wel tegen de borst. Dat is zo clichématig. Het lijken wel halve apen. Het is zoals Zwarte Piet, van wie sommige mensen nog steeds niet willen zien dat hij een racistisch stereotype is.”

Met Teun Berserik heeft Van Dongen net een album van Blake en Mortimer getekend. De vallei der onsterfelijken speelt zich af in Hongkong. “Tijdens interviews in België en Frankrijk heb ik veel vragen gekregen over de ‘clichématige Chinezen’ in het verhaal. Kijk, ik ben gedeeltelijk Chinees, en ik voel me niet aangesproken. Ik heb het recht te bepalen hoe ik Chinezen teken. Ik werk trouwens in klare lijn; te veel kleuren maken de boel onoverzichtelijk, dus zal ik alle Chinezen in dezelfde tint inkleuren.”

De grootste voortrekkers van de diversiteit zijn de comics-reuzen Marvel en DC, een teken aan de wand dat uitgeven voor een divers lezerspubliek ook commercieel steek houdt

Gaines’ Mad Magazine en Franse tijdschriften als Hara Kiri promootten in de jaren 1960 een minder gezagsgetrouw soort stripverhaal, voor een ouder publiek. Maar hoe satirisch of kritisch ook, strips bleven lang de speeltuin van blanke mannen. Het succes van Art Spiegelmans Maus in de jaren 1980 leerde andere bevolkingsgroepen dat ze via – vaak biografische – strips een andere stem konden laten horen. Maar over diversiteit wordt pas sinds een paar jaar écht gediscussieerd.

Eerherstel voor Koko

“Het referentiekader van lezers is veranderd”, zegt Lectrr. “Door de verfilmingen zijn Amerikaanse comics veel dominanter geworden bij jonge lezers dan de Franco-Belgische strips. Veel van hen lezen ook manga’s en kennen dus de Japanse invloeden. Ook heb ik de indruk dat de Franse tekenaars veel verder staan qua dekolonisatie en diversiteit.” De reeks Aya van Marguerite Abouet, een coming of age-verhaal dat zich in Ivoorkust afspeelt, verkoopt van elk album 200.000 stuks. Abouet, een Française met Ivoriaanse roots, wilde eerst young adult-romans schrijven, maar vond de beperkingen die uitgevers oplegden te verstikkend. Het was Marjane Satrapi die haar aanmoedigde om stripscenario’s te schrijven. En in de Verenigde Staten zijn lessen over de First Nations van het land met behulp van comics ingeburgerd; een voorbeeld is Juliana ‘Jewels’ Smiths serie (H)afrocentric, over vier zwarte millennials die studeren aan de Ronald Reagan University. “Ik wilde scholieren uitdagen om eens andere vragen te stellen over ras, klasse, gender en seksualiteit”, zegt Smith daarover. Dat is gelukt, maar ook buiten de klas is de reeks populair.

Kamal Khan, alias Ms Marvel
Kamal Khan, alias Ms Marvel

De grootste voortrekkers van de diversiteit zijn de comics-reuzen Marvel en DC, een teken aan de wand dat uitgeven voor een divers lezerspubliek ook commercieel steek houdt. Marvel, dat het privéleven van zijn personages altijd heeft laten meespelen in hun verhalen, leidt de race. Magneto van de X-Men is een Jood die de Holocaust heeft overleefd. Daredevil worstelt met zijn katholieke overtuiging. Miles Morales is een zwarte latino. Northstar trouwde in 2012 met zijn vriend Kyle Jinadu. En de uitgeverij heeft sterke heldinnen als Elektra en Black Widow. Daar zitten moslima’s bij als de Afghaanse Sooraya Qadir, alias Dust. In 2013 was Kamala Khan, de nieuwe Ms Marvel, de eerste moslima die een eigen reeks kreeg.

Black PantherHet blijft moeilijk voor aspirant- striptekenaars om een voet tussen de deur te krijgen in het wereldje. Steeds vaker denken ze outside the box. Baruti noemt strips “de missing link tussen de orale traditie en de literatuur met een grote ‘L’.” Het levendige Bradford Literature Festival, opgericht door twee moslima’s, profileert zich ook als “een viering van het geschreven en gesproken woord”. Op hun even levendige Comico treden striptekenaars op tussen (moslim)comedians en rappers, en geven auteurs als Gareth Brookes workshops, een textielkunstenaar die weleens een graphic novel borduurt. Baruti ziet liever geen al te hoge schotten tussen strips en andere media: “Een verhaal kan een songtekst worden of een strip.” Zelf is hij muzikant en stripauteur, net als de Nigeriaan Keziah Jones, die in 2011 het scenario schreef voor Captain Rugged, superheld uit Lagos. Jones verslond als kind Amerikaanse comics, maar merkte dat er geen Afrikaanse superhelden waren, behalve Black Panther – en met hem kon hij zich niet vereenzelvigen.

Baruti heeft het plan opgevat om Koko, de ‘boy’ uit het gewraakte Kuifje in Afrika, een gedekoloniseerde biografie te bezorgen: als oude man die de ‘Belgische beschavingsidealen’ helemaal doorprikt

Ook Baruti heeft zijn bedenkingen bij Black Panther: “Aan het eind komt toch de moraal dat een Afrikaans land zijn rijkdommen met de wereld moet delen. Hoe koloniaal is dat?” Maar miljoenen Afrikaanse jongelui vinden zich wel in de volledig zwarte cast van de film, de soundtrack van Kendrick Lamar, de Afrikaanse mode: comic beïnvloedt film, mode en muziek – en straks weer vice versa.

Uiteindelijk komt het neer op sterke verhalen, zegt Baruti, meer dan koppen tellen: je wil geen alternatieve versie maken van de oude propagandacomics. Zelf heeft hij het plan opgevat Koko, de ‘boy’ uit het gewraakte Kuifje in Afrika, een gedekoloniseerde biografie te bezorgen. “Ik ga hem natuurlijk niet tekenen zoals Hergé het deed. ‘Koko’ is Lingala voor ‘grootvader’; ik ga een oude man opvoeren die zijn leven vertelt. Daar zal Kuifje in voorkomen, maar je zult hem niet zien. Herinner je je de scène waar de auto gegrepen wordt door een trein? De Amerikaanse auto heeft geen kras, de Belgische trein is helemaal verkreukeld – toch niet zo solide als de Belgen ons wijsmaakten”, zegt hij lachend. “Koko spreekt ook ‘petit nègre’. Dat houdt geen steek: in gesprekken hoor je veel minder vaak de infinitief van een werkwoord dan de vervoegde vormen. Tenzij iemand hem die brabbeltaal heeft aangeleerd. Dat Belgische onderwijs waarvoor Kuifje reclame moest maken, stelde blijkbaar toch niet zoveel voor.” Misschien moeten ze dat dan maar samen verkopen met Kuifje in Congo, bij de volgende heruitgave.

 


De 9e Kunst plaats met enige regelmaat artikelen die eerder werden gepubliceerd in het tijdschrift Stripgids. Dit artikel verscheen in Stripgids #5, juni 2019