Nieuwsbrief

Artikelen

Onuitstaanbaar! De kinderstrips van Nicole Claveloux

Begin februari 1973 verschijnt een bizar stripverhaal in de pagina’s van het Franse kindertijdschrift Okapi: een klein meisje en een leeuw doen een almaar komischer wordende wedstrijd in het maken van vreemd gevormde tekstballonnen. Alhoewel dialogen in stripverhalen allerlei vormen en maten hadden gekend, was de tekstballon tegen 1968 nagenoeg de dominante vorm geworden, zoals ook blijkt uit een essay gewijd aan de tekstballon in de strip, gepubliceerd onder de in die tijd hippe titel Vroom Tchac Zowie, geschreven door de Franse laat-surrealist Robert Benayoun[1]. In de Pop Art-jaren stond de tekstballon symbool voor de comics die steeds meer publieke en commerciële aandacht kregen in zowel de V.S. als in Europa. Op de openingspagina van L’insupportable Grabote et le lion Léonidas (De onuitstaanbare Grabote en de leeuw Leonidas) speelt maakster Nicole Claveloux met de vorm van de tekstballon door zijn belangrijkste, verbale functie te negeren ten gunste van zijn grafische en auditieve kenmerken. De ballon wordt een object op zich, die zelfs in elkaar kan zakken als een mislukte soufflé. De gag is een mooi en innovatief voorbeeld van wordless comics waarin het gebrek aan woorden maximaal visueel benut wordt.

Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas”, Okapi n° 30, 1973
Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas”, Okapi n° 30, 1973

Grabote zou om de week, in elk nieuw nummer van Okapi, terugkomen. Die eerste, innovatieve gag legde de lat bijzonder hoog, vooral voor een strip in een kindertijdschrift met een voorkeur voor traditionele strips.[2] De daaropvolgende gags worden bepaald niet tammer, al krijgen ze wel meer tekst, veel meer tekst zelfs. Een paar nummers later citeert Grabote de ene wervende tekst na de andere totdat haar tekstballonnen niet langer in het beeld passen en uit de kaders breken. De strip is een parodie op de consumptiemaatschappij waar ze, door het gebruik van reclameslogans, bijtend commentaar op levert. Het doet denken aan wat Roland Barthes – naar aanleiding van de pocketuitgave van zijn boek Mythologieën – omschreef als sémioclastie: de samenhang tussen ideologische kritiek en semiotiek. Of zoals hij het zelf verwoordde: “geen aanklacht [kan bestaan] zonder een instrument van fijnzinnige analyse”.[3] Volgens de intellectuele canon is hier niet echt sprake van een fijnzinnige analyse, maar de bijtende, kakofonische imitatie van de taal van huid- en hygiëneproducten – die de leeuw Leonidas knettergek zal maken – toont wel de sociale en culturele lading van deze slogans. De gag eindigt met Leonidas die verdreven wordt naar de “douzazil”, een woordspel op doux asile, of ‘zacht gekkenhuis’—bij Claveloux ontsnappen zelfs psychiatrische inrichtingen niet aan merknamen en de reclametaal.[4]

Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas” Okapi, no. 33, maart 1973, p. 7.
Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas” Okapi, no. 33, maart 1973, p. 7.

Het gaat immers om de insupportable – onuitstaanbare – Grabote en die zou niet enkel de leeuw Leonidas, maar ook sommige lezers van het tijdschrift gaan tergen. Zo schrijft kleine Pascal in een lezersbrief van mei 1973: “noch moeder, noch ik houden van de onuitstaanbare Grabote. Laat dit verhaal snel eindigen!”[5] Een andere lezer doet een nog algemenere suggestie aan de redactie: “Ik hou niet van gekke tekeningen met rare kleuren. Ik hou van schone en goed getekende tekeningen”.[6] Wat ‘goed getekend’ precies inhoudt is natuurlijk allesbehalve vanzelfsprekend, maar de flower power esthetica van de jaren 1970 was duidelijk een verrassing die niet elke lezer passend vond voor een tijdschrift van de katholieke uitgeverij Bayard.[7] Andere lezers waren daarentegen erg enthousiast en Grabote zou dan ook een ware mascotte voor het tijdschrift worden, zoals blijkt uit verschillende optredens op de titelpagina en bij andere redactionele inhoud.

Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas” Okapi, no. 42, augustus 1973, p. 7.
Nicole Claveloux, “L’insupportable Grabote et le lion Léonidas” Okapi, no. 42, augustus 1973, p. 7.

Claveloux speelt onrechtstreeks met deze lezersbrieven als ze de Okapi-redactie in haar gagstrip betrekt in de vorm van een okapi en Grabote tijdelijk letterlijk in de marge plaatst. De kaderlijnen vormen een muur die Grabote scheidt van de rest van de personages. Verspreid over meerdere afleveringen zal ze allerlei commentaar leveren op wat zich binnen de kaders voltrekt. Ondertussen zoekt Leonidas nieuwe mogelijke kandidaten voor zijn strip. Zo verschijnt de extravagante en arrogante eend “big canou” ten tonele. Hij zal de kaders vervormen tot er een volledig nieuwe enscenering ontstaat en de leeuw ook hem de marge in schopt.

Dit spel met marge en kaders kent een lange geschiedenis in het stripverhaal, dankzij haar lange relatie met de pers en tijdschriften. Strips staan altijd op drukke pagina’s, omsingeld door advertenties, tekstkolommen en ander materiaal. Tekenaars spelen vaak met de paginaruimte die ze toegekend krijgen en wat er omheen stond. Zo is de strip Mutt and Jeff oorspronkelijk ontstaan in een soort dialoog met de dagelijkse uitslagen van paardenraces, waarop de personages wedden.

Ook van de interactie met de lezers bestaan historische voorbeelden. Een van de bekendste is de strip van Krazy Kat en Ignatz Mouse die stilletjes van de bottom strip van The Family Upstairs gepromoveerd werd tot Sunday pages, mede dankzij het enthousiasme van de lezers. Alhoewel Grabote meteen als gagstrip begonnen is, weet Claveloux donders goed dat de personages net zo makkelijk naar een plek in de marge gestuurd zouden kunnen worden. De tekenares is zich zeer bewust van de rol van de lezers en verwerkt hun brieven daarom op een speelse en reflectieve wijze in haar strip.

George Herriman, “The Family Upstairs”, 13 augustus 1910.
George Herriman, “The Family Upstairs”, 13 augustus 1910.

Die interactie met de lezers en het spel met de verwachtingen rond wat kinderen kunnen begrijpen, laten zien dat Claveloux haar publiek maar al te goed kent, dankzij haar ervaring als illustratrice van kinderboeken. Eveneens in 1973 verschijnt van haar een boek met het personage Grabote bij de Frans-Amerikaanse jeugduitgeverij Harlin Quist, waarvoor ze al verschillende illustraties had gemaakt. Deels onder redactionele leiding van François Ruy-Vidal zou de uitgeverij tussen 1966 en 1984 een reeks ambitieuze albums produceren die lijnrecht ingingen tegen het conservatisme van de kinderliteratuur van die tijd. Go, Go, Go, Grabote is een album waarin een paar gags uit Okapi bewerkt zijn, zodat een Droste-effect ontstaat zodra Grabote als papier-en-inkt-creatuur haar leven in eigen handen neemt. Op zeker moment krijgt ze een telefoontje van iemand die haar gedrag onacceptabel vindt voor jonge lezers. Censuur is nooit ver weg—maar belangrijker is dat de klacht zelf, die vraagt om censuur omwille van de jonge lezers, gezien wordt als geschikt onderwerp voor een kinderverhaal.

Nicole Claveloux, Go, Go, Go, Grabote!, New York, Harlin Quist, 1973.
Nicole Claveloux, Go, Go, Go, Grabote!, New York, Harlin Quist, 1973.

Onacceptabel, onuitstaanbaar, onverdraagzaam; Grabote is desalniettemin nooit echt gecensureerd geweest. Na een kort verblijf in de marges van haar eigen strip zal Grabote de strip niet meer verlaten en een vast onderdeel worden van het tijdschrift. Toen de hoofdredacteur Denys Prache – die Nicole Claveloux in de avant-gardistische jeugdboeken van het Frans-Amerikaanse Harlin Quist had gespot – Okapi in 1978 verliet, zou Grabote nog een paar jaar overleven in verschillende uitvoeringen tot haar onverwachte en definitieve vertrek in 1981.

Ondertussen had Claveloux ook voor het feministische striptijdschrift Ah! Nana gewerkt, dat zonder terughoudendheid volwassen thema’s aansneed op de tegendraadse manier van de underground. In 1978, twee jaar na het verschijnen van het eerste nummer, stampte de Franse commissie voor jeugdpublicaties het tijdschrift de grond in met een verbod op verkoop aan minderjarigen, vanwege nummers over homo– en kinderseksualiteit. Daardoor kon het blad niet meer in kiosken en op stations verkocht worden en werd ze beroofd van een belangrijke bron van inkomsten. Het betekende het einde van Ah! Nana. Zo deelde de kindercensuur een zware klap uit aan volwassen striplezers. De carrière van een tekenares als Claveloux, die én voor kinderen én voor volwassenen werkte, biedt zodoende ook een andere kijk op de jaren 1970. In Frankrijk was het een belangrijk kantelmoment voor het stripverhaal voor volwassenen, maar het ging gepaard met een discours over volwassenheid en ontwikkeling[8] en de vernieuwing kwam niet enkel uit de hoek van de bande dessinée adulte, maar voltrok zich ook in publicaties waar je dat misschien niet zou verwachten, zoals kinderstrips en katholieke tijdschriften.

Het werk van Nicole Claveloux, waarin het onderscheid tussen illustratie, jeugdboek en stripverhaal vervaagde, evenals die tussen een minderjarig en een volwassen publiek, is een mooi voorbeeld van hoe vernieuwing niet enkel plaatsvond binnen de volwassenenstrip zelf en hoe het meer was dan een breuk met de kinderliteratuur. Juist op het raakvlak van die twee vonden vruchtbare uitwisselingen plaats.

 

Dit artikel kwam tot stand binnen het COMICS project dankzij een beurs van de European Research Council (ERC) als deel van het onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 van de Europese Unie. (Beurs Nummer [758502]). Deze tekst is deels gebaseerd op een voorstelling tijdens het symposium “Le dessin au féminin? Women, gender, and the bande dessinée” aan het Billy Ireland Cartoon Library & Museum (28-29 februari 2020) die te verschijnen is in een collectief boek bij de Ohio State University Press.

 


  1. Robert Benayoun, Vroom, Tchac, Zowie. Le ballon dans la bande dessinée, Paris, André Balland, 1968. Voor een boeiende geschiedenis van dialogen en tekstballons in de strip, zie Benoît Glaude, La Bande dialoguée: Une histoire des dialogues de bande dessinée (1830-1960), Tours, Presses universitaires François-Rabelais, 2019.
  2. Voor een bespreking van Grabote in de context van het tijdschrift, zie Cécile Boulaire & Loïc Boyer, “Quand la presse catholique fait pop ! Révolution par les bandes dans le magazine Okapi”, neuvième art 2.0., september 2018, http://neuviemeart.citebd.org/spip.php?article1213 ; en
  3. Roland Barthes, voorwoord van de pocket-uitgave van 1970 in de reeks “Points”, Mythologies, Paris, Seuil, [1957] 1970, p. 8. Barthes had zelf twee teksten gewijd aan publiciteit en kuisproducten, zie “Saponides et détergents” en “Publicité de la profondeur” in Barthes, ibid., p. 38-40 en 82-85. Voor een Nederlandse uitgave, zie de vertaling van Kees Jongenburger bij IJzer, 2002.
  4. En in die zin is Claveloux eerder verwant met haar jongere landgenoot Pierre La Police; zie de studie van Livio Belloï en Fabrice Leroy, “Mimer le savoir pour mieux le miner : le pseudo-encyclopédisme de Pierre La Police”, Revue des sciences humaines, no. 330, 2018, p. 123-145.
  5. Lezersbrief, Okapi, no. 36, mei 1973.
  6. Lezersbrief, Okapi, no. 38, juni 1973.
  7. Over die spanningen, zie Cécile Boulaire, “Okapi, a ‘fantastinouï’ magazine for pre-teens in the spirit of May ’68”, vertaald door Elaine Briggs, Strenæ, no. 13, 2018, http://journals.openedition.org/strenae/1901.
  8. Zoals aangeduid voor de VS in Christopher Pizzino, Arresting Development: Comics at the Boundaries of Literature, Austin (TX), University of Texas Press, 2016.