Nieuwsbrief

Artikelen

Hoe Alan Moore van pulp literatuur wist te maken met The League of Extraordinary Gentlemen

Kreffik noffel, hè?

Soms trekken in een stripwinkel alle boeken op de schappen mij met dezelfde kracht aan. Zoveel kleur, zoveel lijn en de prachtige opzichtige letters die avontuur beloven. Elk beeld probeert te overweldigen. Hoe onderscheid ik welke voorkant het eerst opengeslagen wordt? Tenslotte is dit een winkel en niet een bibliotheek. Langzaam wennen mijn ogen aan de overdaad. Ik herken bekende hoofden en bekende namen. Van zowel personages als tekenaars. Soms is het ook de schrijver die om aandacht vraagt. Strips zijn een veelkoppig monster met een smaak voor iedereen. Van de jeugd tot de ouderdom. Van het naïeve tot het erudiete. Vervolgens sla ik een van die boeken open en zie dat het bijna de hele stripwereld in zich herbergt. Dat bijna alle facetten van wat strips zijn zich binnen één kaft verbergen. Dat boek heet The Tempest, getekend door Kevin O’Neill en geschreven door Alan Moore.

De schrijver is in Nederland redelijk bekend. Zijn Watchmen (met Dave Gibbons) is een van de redenen waarom het begrip ‘graphic novel’ hier enige aanzien heeft gekregen. Graphic novels vind je tenslotte niet alleen in de stripwinkel, maar ook bij de betere boekhandel. Het begrip graphic novel maakt dat ook volwassenen durven toe te geven dat ze weleens een strip lezen. ‘Ja, inderdaad, maar het is wèl een Kreffik Noffel, hè?’ Nee, niet zomaar de Suske en Wiske. Ik snap het. U doet aan verheffing van de geest, niet aan tijdverdrijf en ontspanning. Nog steeds wordt in brede kringen een onderscheid tussen de hogere en lagere kunsten gemaakt. Een strip voor volwassenen is in het Nederlands taalgebied een anachronisme. Strips behoren tenslotte tot de jeugd en zijn lagere cultuur. De verschillen tussen Hoge en Lage cultuur vallen in The Tempest geheel weg. Sterker nog, de serie waar dat boek het laatste deel van is, The League of Extraordinary Gentlemen, is bij uitstek een bewijs dat de grens tussen pulp en ‘kunst’ een fictieve is.

Kevin & Alan, de makers

De kern van zo’n beetje alles wat Alan Moore met superhelden doet is het problematiseren van het concept van de superheld. Hij toont ons graag de zwaktes en Freudiaanse misvattingen die het streven naar een übermensch herbergt. Terwijl Kirby, Lee, Siegel & Schuster en Bob Kane streefden naar het vervullen van de ultieme ‘jongens’fantasie laat Moore de schaduwkanten zien. Frank Miller (Elektra: Assassin, Batman: The Dark Knight Returns) en Neil Gaiman (Sandman, American Gods) waren tijdgenoten en ze beïnvloedden elkaar veelvuldig.

Anderen zijn volgers, zoals Grant Morrison (The Invisibles), Mark Millar (Kick-Ass, Kingsmen), Garth Ennis (The Boys, Preacher) en Steve Appleby (Dragman). Alles wat niet puur om het heroïsme van superhelden draait is dank schuldig aan Alan Moore en hij op zijn beurt is weer dank schuldig aan Bryan Talbot (Luther Arkwright) en de amorele Judge Dredd (John Wagner en Carlos Ezquerra) uit het Britse tijdschrift 2000AD – waar hij ook Kevin O’Neill leerde kennen.

O’Neills werk is zowel aanstootgevend cartoonesk als sensueel. Toen hij voor DC een single issue voor de serie Tales of the Green Lantern Corps tekende – aan de hand van een Moore-script – kreeg DC van de Comics Code Authority geen toestemming voor publicatie. Het bleek niet aan iets specifiek in het verhaal te liggen, maar men vond O’Neills tekenstijl ‘objectionable’. Aanstootgevend.

Wat vooral opvalt is zijn volkomen subversieve manier van afbeelden. Alles en iedereen is een karikatuur, zonder dat het ooit echt cliché wordt. Naakt is bij hem vlezig en een beetje vies. Ouderdom is ongemakkelijk en geen rimpel sierlijk. Neuzen zijn behaard, knokkels hebben obscene plooien. Dikke mannen lijken te ontploffen. Magere mensen smelten in de achtergrond weg. Als hij sexy mensen tekent hebben ze meestal een enigszins kunstmatig karakter. Alsof de een of andere obsessieve plastische chirurg ermee bezig is geweest. Zelfs objecten en landschappen krijgen een geanimeerde viezigheid, waardoor alles aan het beeld subversief oogt.

Zich afzetten tegen wat voor gewone schoonheid doorgaat lijkt zijn motivatie. In dit beeldende verzet heeft hij iets van de Amerikaanse Undergroundtekenaars, maar dan met de Engelse sensibiliteit van kleine huizen en een stiff upper lip. Ralph Steadman, daar moet ik opeens aan denken. Maar het meest verwant zou ik Picasso noemen. Ook die probeert met elke lijn het tegendeel van mooi te tekenen. Het is meegenomen dat O’Neill praktisch alles kan wat een scenarist van hem vraagt.

Een interessant onderdeel van Alan Moore’s artistieke en persoonlijke opvattingen is zijn idee dat kunst ‘magie’ is. In From Hell (met Eddie Campbell) laat hij een van zijn personages opmerken dat ‘de enige plaats waar God ongetwijfeld bestaat in de menselijke geest is’. Moore realiseerde zich dat dit een ‘ware’ opmerking was en dat hij zijn leven ernaar moest inrichten. Later zei hij erover: ‘Ik geloof dat magie kunst is en dat kunst, of het om muziek gaat, om schrijven, beeldhouwen of welke andere vorm ook, letterlijk magie is. Kunst is, net als magie, de wetenschap van het manipuleren van symbolen, woorden of beelden, om veranderingen in het bewustzijn te bewerkstelligen … Het uitspreken van een spreuk is in feite een manier om woorden te manipuleren, om het bewustzijn van mensen te veranderen, en dit is waarom ik geloof dat de kunstenaar of de schrijver in de hedendaagse wereld het meest nabije aan een sjamaan is.’

Hoewel niemand het met Moore eens hoeft te zijn dát kunst in feite magie is, zouden we hem als kunstenaar serieus genoeg mogen nemen om deze opvatting over zijn werk mee te nemen in ons oordeel. Laten we daarom ook bij The Tempest kijken in hoeverre Moore geslaagd is in het ‘uitspreken’ van een ‘spreuk’.

Het laatste boek ooit

De lezer kan zeggen ‘Ach, al dat geneuzel over Hoge en Lage Kunst, wat heeft dat met mij en mijn vermaak te maken?’, maar in The Tempest wordt, net als in andere delen van The League of Extraordinary Gentlemen, nu juist met dat ogenschijnlijk kleine verschil een subliem spel gespeeld. De helden zijn geselecteerd uit copyrightvrije boeken uit de negentiende en begin twintigste eeuw.

Het oorspronkelijke team, opgericht door de Engelse Geheime Dienst, bestaat uit Captain Nemo (Jules Verne’s 20.000 Mijlen Onder Zee), Hawley Griffin (uit de H. G. Wells roman De Onzichtbare Man), Dr. Jeckyll/Mr. Hyde (van Robert Louise Stevenson), Alain Quatermain (uit H. Rider Haggards Koning Solomons Mijnen) en teamleider Mina Murray, het doelwit van Dracula uit de gelijknamige Bram Stoker roman.

Talloze personages uit allerlei obscure en minder obscure pulp, lectuur en literatuur bevolken de verschillende boeken. The Tempest ontleent zijn naam natuurlijk aan het beroemde toneelstuk van Shakespeare, De Storm, en een van de belangrijkste personages daaruit, Prospero, Hertog van Milaan, speelt een cruciale rol in dit laatste deel van de serie. Na acht boeken is het team van LoEGLeague of Extraordinary Gentlemen – teruggebracht tot Mina Murray, Orlando (uit Shakespeare’s Naar het u bevalt) en Emma Knight, een slecht vermomde versie van Emma Peel (vast nog niet copyrightvrij).

Op het moment dat The Tempest begint is het team op de vlucht voor de Britse geheime dienst, de MI5. Voormalig hoofd Emma Knight, M zoals in de Bondfilms, ging in het voorgaande deel Century een samenwerking met Orlando en Mina aan. Gedrieën zijn ze in Kor in Oeganda om te baden in de Poel van het Eeuwige Leven ­– bekend uit eerdere LoEG boeken en de roman Zij, van H. Rider Haggard. Maar voor dat moment hebben we al wat stripgeschiedenis achter de rug.

De voorkant van deel één is een hommage aan de beroemde Classics Illustrated serie. Later in dit deel zien we ook de typische lettering van Classics terug, een vrij hoog en smal font. Aan de binnenkant van de omslag zit een rubriek die we in elk van de zes delen tegenkomen over reeds vergeten actuele Britse striptekenaars. Stuk voor stuk illustraties van gefnuikte dromen in het creatieve beroep van de pulp.

De eerste is Leo Baxendale. Pagina twee is in zwart-wit en toont de ontsnapping van Satin Astro, een ook reeds lang vergeten superheldin uit de jaren 40. Dit is de eerste pagina die we zien van het subverhaal over de Seven Stars, een team van Engelse superhelden uit de jaren veertig. We zullen ze door de hele serie terugzien, zowel in het verleden als in het heden. Daarna zien we in fullcolor Jimmy Bond die in plaats van Emma Knight de nieuwe M wordt. Jimmy zagen we voor het eerst in Black Dossier en is ondertussen een ouwe lor van een geriatrisch geval. Als hij de Poel van het Eeuwig Leven ontdekt en erin baadt wordt hij een groot gevaar voor de wereld. Stel je maar voor dat Trump het eeuwige leven heeft.

In deel twee belandt team Mina Murray op Lincoln Island, het traditionele hoofdkwartier van de Nemo-clan. Huidige erfgenaam is Jack Nemo. Daar komen ze er achter, dankzij het elektronische brein van Van Dusen (gebaseerd op een karakter dat door een van de opvarenden van de Titanic is bedacht), dat Jimmy Bond drie vriendinnen van Emma heeft gemarteld en omgebracht om de Poel te vinden. Vervolgens blies hij de Poel met een atoombom op.

Nadat we in deel één al zijn getrakteerd op aloude stripclichés zoals een reis die in enkele plaatjes over een kaart een stippellijn volgt, de liggende balken van een krantenstrip en een pagina vol belachelijk onmogelijke kleine advertenties – ‘Kids! Be an aquanaut with our polythene bag diving helmet! Works as a real diving helmet for an extremely limited period of time’ – krijgen we in deel twee de doorsnee van Nemo’s basis en de uitknipkleding met de naakte figuren van Mina, Emma en Orlando.

The Tempest zit boordevol van dit soort knipoogjes naar het rijke verleden van de strip en naar de warme herinneringen die dat bij de oudere lezer oproept. De moord op de drie vriendinnen en het opblazen van de Poel maakt dat de groep zich splitst. Emma en Orlando gaan op zoek naar Jimmy Bond om hem te doden en Mina reist met Nemo naar The Blazing World, het eiland vol figuren van de verbeelding waar de geheimzinnige Prospero leeft. Wat geen van hen weet is dat MI5 ondertussen The Blazing World op het spoor is en ook daar een atoombom op gooit. Poef, weg verbeelding.

In deel drie vallen Emma en Orlando als Jim Steranko’s SHIELD-spionnen uit de lucht op Londen neer en vinden Nemo en Mina The Blazing World. Prospero heeft zijn magie gebruikt om de atoomexplosie terug te draaien. Net als in het laatste deel van Black Dossier hebben we ook nu weer de bijgeleverde 3D-bril met rood en groen glas nodig. Waarom is juist de wereld van de verbeelding in drie dimensies, terwijl de rest gewoon tweedimensionaal is?

Eindelijk komen we er achter wat het grote plan van Prospero is. Niet alleen draait hij de atoomexplosie terug en richt deze vervolgens op het hoofdkwartier van MI5, maar hij zorgt er ook voor dat The Blazing World plotseling niet alleen in de verbeelding bestaat, maar de echte wereld binnendringt.

De voorkant van deel vijf is dan ook een hommage aan EC Comics, want alle nachtmerries van de verbeelding lopen opeens door het echte leven heen. De verschillende teams vluchten naar Lincoln Island waar Nemo een aardige verrassing in petto heeft. Opvallend is dat niet alleen onze helden zich daar ophouden, maar ook schurken uit verschillende publicaties en films, zoals Blofeld, Scaramanga (James Bond), de Zware Jongens (Donald Duck) en Spy v Spy.

Op het eind zien we hoe Kevin O’Neill en Alan Moore de luchtsluis van het schip van Nemo worden uitgesmeten. In de trade paperback versie hebben ze nog vier pagina’s om afscheid van The League of Extraordinary Gentlemen te nemen en tegelijk daarmee een afscheid van hun stripmakende leven. Dit deel is dan ook de afsluiting van de luisterrijke carrière van beide scheppers.

Kunst om de kunst

Als alle kunst magie is, zoals Moore in het eerder genoemde citaat zegt, dan zou kunst zelf ook moeten voldoen aan een belangrijk element van magie, namelijk het ‘veroorzaken’, het ‘bewegen’, de werkelijkheid manipuleren. De traditionele opvatting sinds de negentiende eeuw is dat kunst er om de kunst is (l’art pour l’art, Théophile Gautier, 1834), niet voor enig ander doel. Zoals bijvoorbeeld voorheen kunst werd gemaakt om het woord van God te verspreiden of de macht van de kerk te ondersteunen. Kunst werd in de negentiende eeuw steeds meer als een ding an sich opgevat. Een schilderij, tekening of roman had geen ander doel dan mooi, indrukwekkend, bijzonder of schoon van zichzelf te zijn. Dit hield bijvoorbeeld ook in dat kunst vooral niet maatschappijkritisch moest zijn. Dat deed namelijk teveel aan propaganda denken. De idee dat kunst de geest manipuleert vond men strijdig met de idee van kunst om de kunst.

Het lijkt erop dat Moore’s opvatting meer een ‘biologische’ achtergrond heeft. Een mooi schilderij doet een stofje in de hersenen loskomen dat de kijker een tevreden gevoel geeft. Hetzelfde geldt voor een bevredigend, meeslepend boek of een actiefilm. Alle kunst veroorzaakt een reactie op moleculair niveau. Het ordenen van een kunstwerk, met de compositie, kleur- en materiaalkeuze, of de opbouw van een verhaal, het zijn beide manieren om die pleziermoleculen in je hoofd te bespelen, om ze te arrangeren. De manier waarop een kunstwerk is gemaakt veroorzaakt een bepaalde opeenvolging van sensaties. Een concert begint met pauken die opwinding veroorzaken, dan de violen die een gevoel geven op een grote hoogte te zijn, dan de eenzame zingende viool die verdriet veroorzaakt, und so weiter tot je aan het eind van het concert uitgeput in je stoel zit, helemaal daas en verrukt van wat je is overkomen. Soms is het een blijvende sensatie, waardoor je jaren later door dat gevoel kan worden verrast, en soms ben je het de dag erna vergeten. Soms beïnvloedt het de geest fundamenteel. Iets in een boek maakt iets in de lezer los dat jaren later nog bij beslissingen van invloed is. Mensen die in hun jonge jaren bewonderaars waren van Ayn Rand laten dat soms als politicus in hun beleid meewegen.

Op mij maakte juist de idee dat kunst een vorm van magie is en vice versa een grote indruk. Als jonge schilder trok het idee me enorm aan. Ik had altijd het gevoel dat l’art pour l’art tekortschoot. Ik wilde meer dan alleen maar ‘mooi’. Ik wilde echte invloed op de kijker hebben, zonder dat het onmiddellijk heel maatschappijbetrokken werk moest zijn. In die zin heeft Moore direct invloed gehad op een deel van de schilderijen die ik in mijn leven heb gemaakt en misschien ook op de mensen die deze schilderijen hebben gekocht.

Zwalken tussen wereldbeelden

Misschien is dit allemaal wat theoretisch en zelfs saai. Inderdaad, kunstenaars beïnvloeden andere kunstenaars, maar is dat dan ‘magie’? In From Hell werd geïmpliceerd dat Jack the Ripper door een vorm van ‘rituele offers’ (het vermoorden van de prostituees) probeerde de moderne tijd tegen te houden. Moore’s script was zodanig dat het in zekere zin veel gedachten en ideeën over de oorsprong van Jack the Ripper heeft stilgelegd. Misschien omdat men was uitgefantaseerd, misschien was het boek als een punt achter een lange lijn van wilde speculaties. Misschien lijkt het alleen maar zo omdat mijn persoonlijke fascinatie met The Ripper door From Hell was gevoed en ik daarna geen behoefte meer had aan andere wilde Ripper-verhalen.

In The Tempest zijn een aantal momenten aan te wijzen die we als magisch zouden kunnen bestempelen. De juiste noten die ons bewustzijn manipuleren. Het begint natuurlijk met de verjonging van Emma Knight, maar dat is hoogstens een voortzetting van iets dat al in eerdere boeken plaatsvond. Sowieso met de mysterieuze Orlando, maar ook met Mina en Alan Quatermain. De verjonging is een deus machina om de tijd te laten verstrijken, maar de held niet te laten verouderen en zodoende de strip nooit te eindigen. De eerst echte slag wordt geslagen met de vernietiging van de Poel van het Eeuwige Leven. Het is nogal verbazingwekkend om zo vroeg in het boek zo’n ingreep te doen. Het impliceert van alles, onder andere dat de helden geen verjonging meer zullen ondergaan. Het einde van de serie wordt hiermee onvermijdelijk. Als vervolgens ook een atoombom op The Blazing World, dat bastion van de verbeelding, wordt gegooid is het pas echt schrikken. Hertog Prospero en al die lieve elven en andere fantasiewezens worden vernietigd. Waar gaat dat heen?

De tegenstelling tussen de ‘echte’ wereld en de fantasiewereld van Prospero wordt opgeheven. Als vervolgens blijkt dat dit allemaal is opgezet om een brug tussen Faerie-land en de echte wereld te bouwen, zodat de elven een invasie kunnen doen en, in feite, de zaken weer naar van voor Shakespeare’s tijd kunnen terugbrengen, naar wat wij soms nog steeds de Donkere Middeleeuwen noemen, hebben we als lezer een gehele omwenteling van ons wereldbeeld meegemaakt. Alles waarvan we eerst dachten dat waar was is vals en vice versa. We zwalken tussen deze wereldbeelden met eenzelfde onzekere tred als Mina en haar kameraden.

De storm

We kunnen de storm in The Tempest, de invasie van de fabelwezens, lezen als een metafoor voor een proces dat alweer een paar jaar aan de gang is en in 2016 een akelig hoogtepunt bereikte met de verkiezing van een notoire fantast als president van de Verenigde Staten. Dan staat de storm voor het loslaten van de rede ten faveure van de fantasten, de bedriegers en leugenaars die mooie verhaaltjes vertellen, terwijl ze de ziel van de wereld stelen. Daarbij denk je wellicht aan Ezeltje en Zuurkoolhoofd in de Tweede Kamer, het Blonde Beest in Londen en President Corned Beef in Brazilië, maar ook bij minder radicale politici is de rede vaak ver te zoeken. Men spiegelt vergezichten van ideale werelden voor waar menig sciencefictionschrijver een puntje aan kan zuigen, of, zoals vaker gebeurt, deze ten strengste zal afwijzen omdat ze voorbijgaan aan de aard van de mens. Al is het maar omdat idealistische vergezichten gewoonweg niet kunnen worden bereikt als de helft van de bevolking overduidelijk andere wensen heeft. Het verstand zal ons uiteindelijk beter leiden dan al het wensdenken bij elkaar.

In het laatste deel van The Tempest laat Moore terrorist Jack Nemo deze woorden uitspreken: ‘als onze werelden en onze harten door een storm worden verorberd, dan kunnen we alleen nog een hoger ethisch standpunt zoeken, of dat nou moreel, intellectueel of literair is. Dit standpunt zal helaas eenzaam kunnen blijken als je het in je eentje moet innemen.’ Het zal mij niet verbazen als dit Moore’s eigen standpunt vertegenwoordigt.

Er zijn wel meer dingen die alleen bij een tweede lezing opvallen. Zo tekent O’Neill de drie dames iets generieker dan we van eerdere verhalen gewend zijn, waardoor ze soms moeizaam te onderscheiden zijn. Het kan zijn dat dit een onderliggende betekenis heeft. Tenslotte zijn er in de verbeelding veel vrouwelijke driemanschappen. De Griekse Furiën bijvoorbeeld en de Scandinavische Nornen of lotsgodinnen. Verder wordt er zeker twee keer opgemerkt dat superhelden een negatieve invloed op de gewone mens hebben. Gewone mensen komen er in de LoEG-wereld meestal bekaaid vanaf, maar we zien het in de echte wereld ook een beetje. Superhelden waren ooit zo dominant op de Amerikaanse comicsmarkt dat er bijna geen andere genre te vinden was en momenteel drukken ze ook in de filmindustrie andere genres naar de achtergrond. En hoe zit het met de fysieke gelijkenis tussen Prospero en Moore? Is het een stand-in voor hemzelf? Wat zegt dat over de acties van Prospero? Is dat wat Moore zelf ook nastreeft, als er geen wetten en praktische bezwaren tussen droom en daad zouden staan?

Maar de storm die door Prospero wordt losgelaten – het overstromen van de gewone wereld door die van Faerie-land – kunnen we ook als analoog zien van de betoverde storm die in het oorspronkelijke toneelstuk op het schip van Prospero’s concurrenten wordt losgelaten. Aangezien de strip min of meer met de storm eindigt missen we het rechtzetten van het onrecht dat Prospero is aangedaan. Maar misschien laat Moore het rechtzetten aan ons eigen verbeelding over. Misschien is juist het schrijven van zijn beste werk, waar ook The Tempest toe behoort, een manier om het onrecht recht te zetten dat al die talloze creatieve pulpschrijvers en tekenaars in het verleden is aangedaan. Om ze een plek te geven tussen wat de ‘hoge’ cultuur wordt genoemd.

Dikke middelvinger

De voorkant van deel zes is een hommage aan 2000AD, het tijdschrift waar O’Neill en Moore hun carrière begonnen. In de rest van dit deel worden kleine steekjes onder water gegeven door te vermelden dat de scheppers van betreffende hoofdstukken allemaal vervangbaar zijn. Het geeft misschien aan hoe Alan Moore zich al die tijd in dienstverband heeft gevoeld. Vervangbaar. Net als de talloze helden en schurken die door evenzeer talloze stripmakers zijn bedacht. Vervangbaar, zoals alle pulp en lectuur is. Dat O’Neill en Moore met LoEG een monument voor het vervangbare hebben opgericht is ondertussen wel duidelijk.

Voor LoEG hebben ze allerlei personages opgedoken en ze van een nieuw leven voorzien, ze een nieuwe eeuwigheid gegeven. Mina Harker groeide van het willoze slachtoffer van Dracula uit tot de leider van formaat die Mina Murray is. Edward Hyde mocht eindelijk uit de schaduw van Dr. Jeckyll stappen en werd zelfs een held. De schurk Nemo die door de hele wereld verfoeid werd stichtte een dynastie die uiteindelijk de mensheid redt. Ondanks dat Moore een hekel aan superhelden heeft gunt hij ze in The Tempest toch nog een moment om in alle onschuld hun krachten te tonen.

O’Neill duikt allerlei reeds lang geleden vergeten magazine- en stripformaten op om ze met een pen die niet van ophouden weet nieuw leven in te blazen. Een kroontjespen, nota bene, een van de meest onderschatte werktuigen van de moderne striptekenaar. Niet alleen toont hij al die verschillende stijlen, maar de soepelheid waarmee hij van de ene in de andere overgaat is frappant.

Alles aan The League of Extraordinary Gentlemen is een grote dikke vinger tegen iedereen die denkt dat pulp niets waard is. Dat de strip als zodanig eigenlijk niets waard is, hoewel het lezen ervan tijdens de kindertijd dromen vormgeeft die nog vele jaren later ons handelen beïnvloeden. Vanuit dat standpunt is het begrijpelijk dat Moore zoveel moeite heeft met verfilmingen van zijn werk. Steeds maar weer een regisseur die denkt dat hij of zij met het oorspronkelijke werk kan doen wat hij wil. Zelfs Zach Snyder die toch een bijna getrouwe kopie van plaat tot plaat maakte, miste de bal geheel. Tenslotte ging het met Watchmen niet over elk plaatje namaken. Dat had Dave Gibbons al voor Moore gedaan. Nee, de kern was het betoog tegen geweld. Wat Snyder met voeten heeft betreden door een pro-geweld Watchmen te maken. Steeds maar weer wordt Moore’s werk onderschat en in feite gekleineerd door talloze zielloze bewerkingen.

Nu The League of Extraordinary Gentlemen is gestopt, is er een goede kans dat iemand anders ermee vandoor gaat. Tenslotte zijn de meeste personages copyrightvrij. In The Tempest spelen de heren zelf met het idee door een overleden karakter uit een van de eerdere verhalen te klonen en zijn oudere ik te laten becommentariëren. Als ze net uit de luchtsluis van de Nautilus zijn gezet zegt Moore tegen O’Neill ‘Basically you die, I claim I created everything, then I get walk-ons in all the Pink Child spinoffs’. Ze weten dat ze vervangbaar zijn, van geen werkelijk belang in een industrie waar creativiteit en inspiratie alleen in dollars is uit te drukken, maar toch gaat die dikke ouwe Engelse vinger op: Fuck Off, dit doen jullie ons niet na.

O, en of de betovering werkt? Ik neem aan dat mijn recensie daar voldoende van getuigt. Lees het zelf en laat je door twee ouwe Britse knarren op een wild avontuur meevoeren. Geef je over en geef de betovering door goede kunst een kans.

 


The League of Extraordinary Gentlemen, een overzicht en wat respectloze sterren

The Tempest is het vijfde en afsluitende boek van The League of Extraordinary Gentlemen. Hieronder volgt een chronologische opsomming van wat er aan LoEG-verhalen is verschenen.

Volume I

In 1999 begonnen Alan Moore en Kevin O’Neill hun samenwerking aan The League of Extraordinary Gentlemen, ook wel LoEG genoemd. In deze zes albums (Wildstorm/ DC Comics) die later als Volume I zijn verzameld, brengt de dubieuze geheimagent Campion Bond in 1898 een groep helden bij elkaar bestaande uit Mina Murray, Hawley Griffin, Alan Quatermain, Dr. Jeckyll en Captain Nemo. Ze krijgen de opdracht om de diefstal van gestolen cavorite te onderzoeken en belanden daardoor in het ‘Lime House’ bij The Doctor, een Chinese misdaadbaas. Uiteindelijk blijkt het probleem rond het cavorite een stuk ingewikkelder en leidt het uiteindelijk tot een confrontatie met het hoofd van de Britse geheime dienst MI-5.

In 2000 kreeg dit deel de Bram Stoker Award for Best Illustrated Narrative, wat op zich verdiend is, maar aangezien Volume II van nog grotere kwaliteit is geef ik dit deel vier sterren.

Volume II

Volume II wordt tussen 2002 en 2003 door Wildstorm uitgegeven en gaat over de invasie van de aarde door Marsbewoners. Zoals in het boek War of the Worlds van H. G. Wells, maar dan met een superheldenteam om de driepotige moordenaars tegen te werken. Zowel het script als de tekeningen bereiken een nieuwe hoogte en een absoluut ijzingwekkend einde.

Dit volume kreeg de nog meer prestigieuze Eisner Award en werd door Time Magazine de op acht na beste comic van 2003 genoemd. Makkelijk vijf sterren.

De film

2003, de film The Extraordinary League of Gentlemen. Moeten we het over de film hebben? Twee sterren, eentje voor de Nautilus en de andere voor de auto.

Volume III: Black Dossier

Volume III, Black Dossier, speelt zich in 1958 af, net nadat het Big Brother regime (uit Orwells 1984) is ontmanteld. De enigen van het team die zijn overgebleven, Mina Murray en Alan Quatermain, zijn op zoek naar het Black Dossier. Ze hebben zich beide in de Poel van Eeuwigheid verjongd. In het Black Dossier staat informatie over eerdere incarnaties van de LoEG. Ook de Britse geheime dienst is ernaar op zoek en stuurt Jimmy Bond, Emma Knight en Hugo Drummond. Op het eind belanden Mina en Alan in The Blazing World waar Prospero over de wereld van de verbeelding heerst. Hier het eerste gebruik van 3D. Brilletje bijgeleverd.

Heel dapper hebben Moore en O’Neil allerlei informatie uit het dossier als een soort metavertelling door het boek geplaatst. Helaas werken de verschillende stukken niet zo goed, wat vooral lijkt te liggen aan Moore’s behoefte om stijlen die toch al niet zo lekker lezen nog een stuk onleesbaarder te maken. Ergste voorbeeld is de poging om de toch al moeizaam lezende roman Dr. Sax van Jack Kerouac in een pastiche te verhaspelen. Wat ze hier in essentie doen, het vertellen van een verhaal over meerdere media, wordt uiteindelijk in The Tempest tot perfectie verheven. Een magere vier sterren. (Wildstorm/DC Comics, 2007)

Volume IV: Century

In volume IV, Century, worden Mina en Alan door de onsterfelijke Orlando versterkt. Het verhaal is onduidelijk en rommelig. Iets met de tovenaar Haddo, Brian Jones & Mick Jagger, Sir Michael Cain’s Carter en een uitgebrande Harry Potter. Moore is de weg kwijt en ook O’Neill lijkt er geen zin meer in te hebben.

Eén ster, al blijft het handig om ook dit boek te lezen. Overal zitten kleine wetenswaardige feiten over LoEG verstopt, zowel uit het verre verleden als over dingen die handig zijn om voor The Tempest te weten. (Top Shelf Comics en Knockabout Comics 2009-2012)

Nemo

De Nemo Trilogy gaat over Janni Dakkar, dochter van Captain Nemo. Het is niet een vervolg op een van de eerdere delen, maar loopt parallel aan Century. De drie verschillende verhalen zijn aardig, vol actie en avontuur, maar je krijgt het idee dat Moore met de hypotheek achterliep. Diepgang mist grotendeels. Kevin O’Neill tekent de mooiste pagina’s sinds tijden. Zijn stijl bereikt zeldzaam grote hoogtes.

Wat mij betreft goede popcorn. Drie sterren voor O’Neill en daar houden we het bij. (Top Shelf Productions / Knockabout Comics, 2013-2015)

Volume V: The Tempest

(Top Shelf Productions / Knockabout Comics, 2018-2019)