Nieuwsbrief

Artikelen

Van roken ga je dood is een visueel festijn waarin veel te ontdekken valt

Sommige strips barsten van de grafische effecten. Van roken ga je dood, het debuut van Thijs Desmet, behoort duidelijk tot die categorie. Het pas verschenen boek How to read Nancy van Paul Karasik en Mark Newgarden laat zien hoe zo’n werk te ontleden valt. In navolging van beide heren wil ik inzoomen op een aantal formele technieken en experimenten (zogeheten minimal units) die de eerste voldragen Desmet rijk is.

“Van roken ga je dood” is een platitude uit de mond van een spook en een skelet die in het hiernamaals ronddwalen. Het tweetal bevindt zich aanvankelijk in het station Lethe (een rivier uit de Griekse onderwereld), maar om dat als lezer te ontdekken vraagt wat zoekwerk. In twee plaatjes staan slechts delen van het woord, de rest is weggemoffeld achter personages en objecten. Stripmaker Thijs Desmet weet duidelijk wat een intern hors-champ is: elementen binnen het kader van het beeld, die op een of andere manier aan het oog van de lezer worden onttrokken. Alles staat in dit werk tussen dikke aanhalingstekens, ook de vorm. Het is namelijk geen doorlopend verhaal, maar een verzameling van vijf kortverhalen met een epiloog en elk van die vertellingen biedt de lezer een inhoudelijke potpourri van spiegelingen en persiflages, van hoge en lage cultuur. Het werk bulkt van de interferenties en postmoderne intertekstualiteit.

Station Lethe

Een korte blik op Thijs Desmets biografie leert ons dat hij afgestudeerd is aan de Gentse Luca School of Arts in 2014 en in datzelfde jaar nog de Plastieken Plunk, de prijs voor het beste korte stripverhaal van dat jaar, binnenhaalde. Desmet heeft in ieder geval goed opgelet tijdens de lessen kunstgeschiedenis. De cover is een pastiche op Michelangelo’s pietà. Desmet toont ons hoe Spook Skelet empathisch vasthoudt, en als optimist mededogen toont voor zijn rokende en bedronken “medemens” (echte mensen komen er nauwelijks aan te pas). Daarmee stipt Desmet al een eerste motief aan, typisch voor de strip maar ook bekend bij literatoren: het duo. Desmets duistere duo uit de hel toont een optimist en een pessimist die zichzelf zonder veel omkijken de dood in zuipen en roken. Ze trekken mekaar als tegengestelde polen aan. Spook en Skelet zijn respectievelijk negatief en positief, gemotiveerd en nihilistisch, avontuurlijk en berustend, naïef en verbitterd. Want, zo weten Karasik en Newgarden, “In fiction as in life, the closest relationships are often the most complicated.” (p. 89)

De pietà op het omslag

Op pagina 67 torent een Wanderer über dem Nebelmeer uit, zoals in het gelijknamige romantische schilderij waarin Caspar David Friedrich de afgewende houding gebruikt zou hebben om de identiteit van de persoon niet te verraden en de aandacht op het landschap te richten. Is dat misschien ook wat Desmet begrepen heeft? Spoken en skeletten zijn niet alleen herkenbare figuren, ze bieden je ook de nodige anonimiteit als je wil dat de lezer bepaalde zaken invult. “Keeping […] emotions undefined encourages the readers to engage more deeply as they draw their own […] faces in their imaginations.” (Karasik and Newgarden, p. 126) Spook en Skelet hebben, net zoals in een daily als Nancy, verraderlijk simpele gelaatsuitdrukkingen en zijn onmiddellijk herkenbaar dankzij hun uniformen: Spook draagt een kleed dat af en toe verandert en Skelet verbergt zich onder een hoodie of muts. Bovendien, en zeker als je jongleert met genres zoals horror en humor, “Explicit facial detail might slow the reader down […] or evoke distracting empathy.” (p. 88) Er zijn vele rokken aan deze ui.

Ondertussen draaien de radertjes van de tijd voort en zweven ze door de ruimte als de ruimtetuigen in 2001, A Space Odyssee. Op de achtergrond hoor ik haast An der schönen blauen Donau.

Radertjes van de tijd

Tijd is nog zo’n belangrijk element in dit boek. In Desmets universum is het vijf voor twaalf (pagina 32) of net niet. Tijd is een rekbaar begrip en splash pages als die op pagina 20 leren de lezer dat één plaat niet overeenstemt met één moment. Er wordt niet alleen met de vertelde tijd gespeeld, ook de verteltijd is heel bewust gebruikt. Desmet weet dat een lezer (van een horror- of humoristische strip) graag wil weten wat er op de volgende pagina zal gebeuren. Als lezer word je een aantal keer van de ene naar de andere pagina gezogen. Soms wordt je nieuwsgierigheid beloont, zoals wanneer je na pagina 67 Tchernobog ontdekt met Vampier en Mummie. Evenzeer, bijvoorbeeld na pagina 23, doet Desmet zijn postmoderne insteek eer aan met een pageturner vanjewelste die de lezer niets oplevert, met teleurstelling of een grinnik als gevolg.

Tchernobog

Desmet duidt met vier kleurtjes[1] en een geschreefde letter niet alleen het verschil tussen de sprekers aan (pagina 135), zijn meesterschap stelt hem ook in staat om met dit beperkte pallet basiswerken van de kunstgeschiedenis na te tekenen. Hij mengt zonder verpinken Lord of the Rings (ik meen Gandalf te spotten op pagina 104) met Disneys Fantasia (Tchernobog), James Ensor, Michelangelo, moonboots en traditionele striptopen. Kijk maar naar het samenvattende plaatje in Suske en Wiskestijl op pagina 78, of naar het hoofdstuk getiteld “Spokenuur” waar kinderen rond een gezellig kampvuur verhaaltjes vertellen tot hun rust verstoord wordt door Spook, maar wie nou wie angst aanjaagt is niet meteen duidelijk (pagina 127). Plots zijn we terechtgekomen in een smoezelige en groteske familiestrip in kinderstijl, hond incluis.

Spook in een kinderavontuur

Desmet zinspeelt verder met grijs, blauw, rood en geel op popartprintjes (pagina 41) en weet optische illusies te creëren. Zo lijkt het middelste plaatje op pagina 31 zwart-wit, maar is het dat allerminst, een optisch effect waar ook Karasik en Newgarden naar verwijzen: “a similar illusion is created in four-color comics”. Met kleurtjes die de lezer nochtans associeert met naïeve kinderstrips weet Desmet complexe, haast technische dimensies van tijd en ruimte of natuurpracht te creëren.

Wrijfrasters in cadans

Maar om contouren in te vullen kun je ook patronen gebruiken. Met de wrijfrasters, die gebruikt werden om grijstinten te drukken op goedkoop krantenpapier, kwist Desmet gretig. Patronen vormen zo grotere patronen (pagina 7) die een bepaalde cadans teweegbrengen. Zo vormen de plaatjes op pagina 12 een hinkelspel met en zonder achtergrond, met en zonder rasters. Dat creëert wat Karasik and Newgarden “surface patterns” noemen (p. 147) en die Desmet gebruikt om een soort flikkereffect te bewerkstelligen, of misschien beter gezegd, een cadans tussen de af- en aanwezigheid van patronen en dus ruimte. Ook die ruimte staat tussen aanhalingstekens. In het ene plaatje wordt ze nog ingevuld met grijswaarden en in het volgende doet ze er al niet meer toe en is er meer contrast. Overigens is niet alleen de achtergrond in de plaatjes soms gevuld met patronen, ook de kledij van de personages heeft af en toe motiefjes en die mogen best speels zijn, zoals het bloemetjeslaken van Spook. De lezer heeft het ondertussen begrepen: er wordt met verwachtingen gespeeld dat het een lieve lust is.


LEES OOK : Het interview met Thijs Desmet


Aan de andere kant van the looking glass, in de hemel (?), zwerft nog een olijk tweetal rond, Mummie en Vampier. Ze zijn het spiegelbeeld van Spook en Skelet. Die tegenstelling tussen beiden duo’s – de een in de hemel, de ander in de hel – geeft Desmet grafisch (alweer) tweevoudig aan: het ene duo staat op een eerste splash page op pagina 80, het andere duo volgt op pagina 81. De pagina’s 82 en 83 tonen elk twee tweeluiken, wat een tweevoudig spiegelbeeld oplevert, het een horizontaal, het ander verticaal gespiegeld. En daar, op pagina 83, raakt Desmet de essentie van het medium: de plaatjes spatten als een spiegel uit elkaar waardoor beeld en inhoud elkaar volkomen omarmen. Misschien was ik dan toch niet gek, toen ik de plaat begon te draaien. Desmet speelt door het draaien van plaatjes in op de leesrichting van de lezer, en dat doet hij tot in de kleinste details. Op pagina 83 is het paginanummer niet toevallig een kwinkslag ‘te ver’ gedraaid.

Het dubbele duo tweevoudig gespiegeld

Grafisch spektakel is er op nagenoeg elke pagina, smullen is dat. Dus wriemelen mijn vingers om dit werk formeel te fileren. Ik herlees de strip en bekijk enkel de kaders. Wie bij een eerste lezing dacht dat die jonge stripmaker gewoon wat handgetekende grijze potloodkaders gebruikte, is eraan voor de moeite. Op pagina 10 kleurt hij gezellig buiten de lijnen en op pagina 13 golven de kaderlijnen plots. Iets gelijkaardigs gebeurt op pagina 50 waar het kader letterlijk wegdraait om het universum in te duiken. Ook op pagina 71 is er plots een golvend kader dat een fantasie uitbeeldt. Tot slot is pagina 122 striparchitectuur van de meest tijdloze soort. Skelet loopt door een huis dat als door een architect gekanteld en opengewerkt is om ons een perfecte inkijk te geven.

Commentaar in Suske en Wiskestijl

Stilistisch is hier gaande waar Umberto Eco ooit (zoals wel vaker) de eerste woorden voor vond: “de openheid van strips.”[2] Desmet koos voor de verweving van verschillende registers van voorstelling, wars van een homogene grafische stijl en bekijkt het beeldverhaal als “een soepel medium dat oneindig veel expressieve mogelijkheden biedt.”[3]. Desmet is daarmee een beeldverteller van de 20e eeuw waarbij de strip “extreem beweeglijk en dynamisch” wordt en “in staat om de strikte definitie van de sequentiële kunst – en elke vorm van academisme (wat ongetwijfeld het belangrijkst is) – alle geweld aan te doen”[4].

De redactie van Enola.be oordeelde dat het werk “ruw, onaf en puberaal” is en doelt daarbij allicht op het gebrek aan narratieve diepgang. Maar dat is niet wat dit werk wil bieden, het goochelt met tekstballonnen en hun posities, neemt interessante kaders en camerastandpunten in en verrast met kleurkeuzes en composities. Vanaf vandaag volg ik Desmets fanzines en producties dus op de voet. Ik meen met Desmet op de Vlaamse versie van Andrea Pazienza gestoten te zijn – zonder tragisch einde, laat ons hopen.

 

 

  1. Hij zou met de blauw-rode lijnvoering ook oude albums van Suske en Wiske en De rode ridder eren (C. Bulcaen, Experiment in Vlaamse Stripdebuten – Ons Erfdeel 2018/9).
  2. Zoals Maaheen Ahmed en Thierry Groensteen het respectievelijk hebben over “Openness of Comics” en “hybridation graphique”.
  3. Thierry Groensteen, Hybridations: Les rencontres du texte et de l’image” in Laurent Gerbier Iconotextes – Presses Universitaires François Rabelais, 171.
  4. Thierry Smolderen, Hybridations: Les rencontres du texte et de l’image” in Laurent Gerbier Iconotextes – Presses Universitaires François Rabelais, 164.

 


Interview met Thijs Desmet

Je bent in 2014 afgestudeerd aan de LUCA School of Arts in de richting illustratiekunst. Waarom heb je niet gekozen voor de opleiding beeldverhaal in Brussel?

In de opleiding illustratiekunst word je meer uitgedaagd om aan een eigen visuele stijl te werken, dat leek me dus interessanter. Algemeen vond ik wat er in St Lucas Gent gebeurde ook mooier dan wat ze in Brussel deden. Over stripsequenties en hoe je een strip maakt, hebben we relatief weinig geleerd. De manier waarop ik strips maak is eigenlijk vooral gebaseerd op zelfstudie. Ik zocht uit wat werkt en wat niet, mijn aanpak is altijd vrij intuïtief geweest. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze me op school niet hebben gestimuleerd en geholpen toen ik me wilde focussen op strips. Ik heb bijvoorbeeld veel hulp gehad van Steve Michiels. Ik heb ook een jaar les gekregen van Brecht Evens en Brecht Vandenbroucke.

Noem je jezelf dan striptekenaar of illustrator? Welke plaats neemt het beeldverhaal momenteel in in je leven?

Ik zeg meestal dat ik striptekenaar/illustrator ben. Het liefst teken ik strips, maar als illustrator krijg ik meer opdrachten. Dat sluit niet uit dat ik ook vaak met andere media werk, dus eigenlijk zou ik mezelf kunstenaar moeten noemen om het breed te houden.

Je kreeg kort nadat je afgestudeerd was al de Plastieken Plunk. Hoe belangrijk is die prijs om je als jonge striptekenaar te lanceren?

Het was een goede boost om mijn werk onder de aandacht te brengen, want in de jury van de Plastieken Plunk zitten heel wat bekende namen uit de stripwereld. Het jaar nadien heb ik op het Fumetto-stripfestival in Zwitserland nog een prijs gewonnen met een korte strip rond het thema ‘toekomst’. Die twee prijzen hebben sowieso deuren geopend en er bijvoorbeeld toe geleid dat ik kon publiceren bij uitgeverij Bries.

Je boek Van roken ga je dood gaat eigenlijk ook over de toekomst en over de notie tijd in het algemeen.

Ja, die twee elementen zijn van belang, ook al had ik dat niet per se van tevoren zo gepland. De notie tijd komt het duidelijkst aan bod in het verhaal over de walvis, maar het viel me op dat het thema terugkwam. Ik ontdekte gaandeweg dat ik in de andere delen ook tijdgerelateerde details kon steken. Die terugkerende elementen voegen meer informatie toe aan mijn fictionele wereld… voor wie goed oplet.

Van roken ga je dood

Ik denk dat je daar iets erg belangrijks zegt: “voor wie goed oplet”. Toen ik het boek voor het eerst las, ontgingen veel details me. Hoe bewust was je je van die grafische details?

Ik was redelijk bewust bezig met dat soort betekenisvolle details, om ervoor te zorgen dat de lezer de strip zou herlezen en daarbij telkens nieuwe details zou opmerken. Ook ik vind het fijn om steeds dieper te graven als ik films, series of boeken bekijk en herbekijk. Je moet weten dat ik ongeveer drie jaar aan Van roken ga je dood gewerkt heb, weliswaar met tussenpozen. Het geeft dus meer voldoening als mensen het werk niet één keer lezen, maar langer kunnen genieten van een boek waar ze toch 25 euro voor hebben betaald. Ik hoop dat de lezer zich aangemoedigd voelt om zijn fantasie te gebruiken en theorieën te verzinnen over wat er aan de hand is.

Naast tijd zijn ook spiegels een belangrijk motief. Zo spiegelen plaatjes en kaders elkaar, is er een spiegeleffect tussen de twee werelden, de hemel en de hel. Zijn die spiegels enkel grafische hulpstukken of hebben ze ook een thematisch belang?

Het grafische experiment primeerde. Ik wilde een interessantere manier vinden om de werelden en de doorgang tussen die werelden weer te geven. Ik heb ook geprobeerd het stripmedium op zich ten volle te benutten en iets te doen wat bijvoorbeeld in een film niet had gekund. Er zijn mensen die beweren dat mijn werk thematisch niet zo sterk is. Ze noemen het wat onvolwassen, terwijl ik net geprobeerd heb om het erg gelaagd te maken.

Je hebt voor verschillende stijlen gekozen in je werk. In het hoofdstuk “Spokenuur” zit bijvoorbeeld een kindertekening. Wil dat zeggen dat je geen nood hebt aan een homogene grafische stijl?

Ik bepaal mijn stijl in functie van het verhaal dat ik probeer te vertellen en de sfeer die ik wil oproepen. De stijl die ik voor dit boek heb gebruikt zou misschien niet bij een ander verhaal passen. Anderzijds vraag ik me soms af of ik niet beter voor één herkenbare stijl zou kiezen, zoals Lukas Verstraete (Maker van Een boek waarmee men vrienden maakt, red.). Misschien verkoop je dan beter of positioneer je jezelf gemakkelijker op de illustratiemarkt.

Je vermengt niet alleen stijlen, maar ook hoge en lage cultuur. Op de cover prijkt jouw versie van de pietà.

Doom

Ik wil tonen wat ik zelf goed en mooi vind, of wat een belangrijke rol heeft gespeeld in mijn leven. Soms liggen de verwijzingen voor de hand, zo verwijs ik op pagina 71 naar de cover van de videogame Doom. Dat is een spel dat ik vroeger heel vaak heb gespeeld en waaraan ik een eerbetoon wilde brengen. De bewegingen van het monster op diezelfde pagina zijn gebaseerd op de sequentie waarin de duivel uit de berg komt in de Disneyfilm Fantasia. Dat is zo’n referentie waarvan ik weet dat vermoedelijk niemand ze zal opmerken, dat is meer voor mezelf. Maar Doom zullen nog wel mensen herkennen. De epiloog van het boek is dan weer een eerbetoon aan een scène uit Stalker van Tarkovksi. Ik heb die scène niet zomaar gestolen, ze heeft haar eigen betekenis gekregen en is belangrijk geworden in het verhaal. Door te zien dat mensen als Brecht Evens, Atak (Georg Barber) of Brecht Vandenbroucke ook geen grens trekken tussen hoge en lage cultuur, weet ik dat het oké is dat er naar games verwezen wordt. Dat spreekt ook veel mensen aan, denk ik.

Je gebruikt een beperkt aantal kleuren waar je toch veel kanten mee op gaat. Hoe is dat palet ontstaan, heb je je op iemand geïnspireerd?

De gekleurde ballonnen die verschillen tussen personages aangeven heb ik geleend van Brecht Evens. Los daarvan heb ik met kleuren leren werken dankzij zeefdruk en risografie. Vroeger werkte ik enkel in zwart-wit, maar door risografie en de kleurenbeperking die die techniek oplegt, leerde ik grenzen af te tasten en creatiever te zijn.

Is je werk een navolging van Watchmen, dat je een van je favorieten noemt?

Watchmen was meer van belang voor mij als grafisch voorbeeld. Het toonde mij hoe je kan experimenteren met sequenties, hoe een verhaal visueel in elkaar kan zitten, hoe je het medium gebruikt. Dat werk was echt een aha-erlebnis.

Is er interesse vanuit het buitenland?

Van roken ga je dood is voorlopig enkel in het Nederlands uitgebracht. Er is interesse van een Franse uitgeverij, Même Pas Mal, maar dat proces verloopt erg traag. Ik zou ook graag een Engelstalige versie willen, maar op dat vlak zijn er nog geen concrete vooruitzichten. Van roken ga je dood werkt overigens beter in het Nederlands, denk ik. Er staan ook een aantal dingen in die moeilijk te vertalen zouden zijn naar het Engels.

Strange sequences, een fanzine dat je zelf uitgeeft, is wel Engelstalig.

Ja, dat is om verschillende redenen zo. Om te beginnen hebben niet alleen Nederlandstalige artiesten eraan meegewerkt. Daarnaast is de community van die magazines heel internationaal: op het Zine Fest in Gent heb ik dat bijvoorbeeld goed gemerkt. Het Engels past ook bij die community, omdat die teruggaat op oudere pulpmagazines. Een fanzine werkt dus beter in het Engels.