Nieuwsbrief

Strips

Hoop in bange dagen toont het alledaagse oorlogsleven in al zijn facetten op fenomenale wijze

Met Hoop in bange dagen heeft Émile Bravo een Robbedoes-verhaal – waarvan je zou verwachten dat het onschuldig en eenvoudig vermaak betreft – weten te verheffen tot een van de beste oorlogsverhalen die in stripvorm te vinden zijn. Het verhaal begint kort voordat de Duitsers België binnenvallen en eindigt vlak nadat België is bevrijd. In de tussenliggende vijf jaar laat Bravo zien hoe het dagelijkse leven op alle vlakken steeds meer in het teken komt te staan van de oorlog. Daarbij laat hij weinig onaangeroerd. Een belangrijke kracht van het verhaal is dat Bravo graag de complexiteit van een oorlog laat zien. Zo heeft hij zich bewust niet beperkt tot een verhaal over good guys vs. bad guys, maar laat hij graag alle schakeringen in de samenleving zien. Ook Robbedoes en Kwabbernoot gaan een paar keer de mist in en zijn niet altijd de onberispelijke helden die we gewend zijn.

Het zal het succes geweest zijn van Bravo’s eerste Robbedoes-verhaal, Dagboek van een fantast, en het feit dat ook andere auteurs Robbedoes en Kwabbernoot in de reeks Robbedoes door… in een oorlogssetting hebben geplaatst, dat uitgeverij Dupuis groen licht heeft gegeven voor Hoop in bange dagen. Het vierluik wil op sommige momenten zo graag openhartig zijn en trouw aan de geschiedenis, dat het nauwelijks nog aanvoelt als een strip geschikt voor kinderen. Een behoorlijke breuk met het klassieke, familievriendelijke imago van Robbedoes en Kwabbernoot dat door Dupuis zo lang werd gekoesterd. Bovendien lijkt Robbedoes een paar keer de persoonlijke mening van Bravo te verkondigen en die strookt duidelijk niet altijd met de regels van de zelfcensuur die tientallen jaren werden gehanteerd door Robbedoes weekblad.

Bravo’s grootste verdienste is zijn oog voor detail. De serie bevat een hoop momenten waarin de lezer ziet hoe de oorlog een wissel trekt op het dagelijks leven van de doorsnee burger. Details die in de meeste oorlogsverhalen op het achterplan staan, of losjes aangestipt worden om de situatie te schetsen, spelen in Hoop in bange dagen een hoofdrol. Neem bijvoorbeeld alle keren dat Robbedoes met de straatkinderen praat en duidelijk wordt hoe de oorlog ingrijpt in hun levens. Tussen de regels door verwerkt Bravo bovendien een hoop verwijzingen naar historische personages en gebeurtenissen.

Hieronder volgt een beschouwing van de vier albums, waarin de nadruk ligt op de momenten waarop de strip afwijkt van wat je zou verwachten van een doorsnee Robbedoes en Kwabbernoot verhaal. Momenten ook waarop Émile Bravo zijn persoonlijke mening etaleert. Voor wie de serie niet gelezen heeft: spoilers zijn natuurlijk onvermijdelijk, maar er is bewust voor algemene beschrijvingen gekozen om zo min mogelijk weg te geven. Daarnaast zijn de albums zo rijk aan details en zijn het bovendien die details die de serie zo bijzonder maken, dat je zelfs met deze rode draad in het achterhoofd weinig aan leesplezier zult hoeven inboeten. Sterker nog: het zou de leeservaring juist moeten verrijken.

Een valse start

In het eerste deel, Een valse start, zien we hoe de oorlog begint en worden veel van de belangrijkste personages geïntroduceerd. Zo ook kunstschilder Felix Nussbaum en zijn vrouw Felka Platek, die doorheen het verhaal steeds weer mogen tonen hoe de oorlog is voor de Joodse bevolking. Daarbij laat Bravo regelmatig schilderijen van Nussbaum zien. In het dossier, achterin deel vier, lezen we dat beide echt bestaan hebben. En inderdaad, ook de schilderijen die Bravo tekent tonen bestaand werk. Wat Bravo steeds slim doet is een verhaal vertellen dat interessant is voor zowel volwassenen als kinderen. Die eerste groep is natuurlijk bekend met WO II en zal alles wat er gebeurt herkennen, of begrijpen. Maar om jongeren ook de kans te geven alles te volgen, heeft Bravo Robbedoes en Kwabbernoot relatief naïef gemaakt, zodat alles doorlopend aan ze wordt uitgelegd. Zo wordt de introductie van Felix Nussbaum bijvoorbeeld gebruikt om iets uit te leggen over Entartete Kunst. Maar ook over hoe kunsthandelaren misbruik maakten van de moeilijke situatie waarin de kunstenaars zich bevonden.

Dat alles wordt uitgelegd klinkt misschien vermoeiend, maar Bravo varieert een hoop waardoor het nauwelijks opvalt. Veelal vindt het plaats in (al dan niet verhitte) discussies waarin meningen botsen en je als lezer geprikkeld wordt mee te denken. Overigens, zo naïef zijn onze helden nu ook weer niet. Ze zijn vooral jong en de informatievoorziening was in die tijd natuurlijk slecht, een probleem dat in deze serie doorlopend een rol speelt. Bovendien was alles voor de mensen in die tijd nieuw, ze zaten middenin de ontwikkelingen en beschikten niet over de kennis die we tegenwoordig hebben en waar we bovendien vele jaren voor nodig hadden voor we die hadden verzameld. 

In dit eerste deel laat Bravo gelijk zien dat de meningen van de Belgen zeer verdeeld waren. Niet alleen heb je de burgers die zich verzetten tegen de Duitsers, met daartegenover de collaborateurs die juist met ze samenheulen, maar we zien ook diverse grijstinten daartussen. Mensen die wel tegen de bezetting zijn, maar het niet erg vinden dat de Joden worden aangepakt, of er zelfs uitgesproken voorstander van zijn. Ook communisten moeten het direct ontgelden. We zien ook mensen die het wel fijn vinden dat de Duitsers wat orde en regelmaat komen brengen. Bijna hilarisch is de VNV, het Vlaams Nationaal Verbond, dat weliswaar heult met de vijand, maar tegelijkertijd het Rexisme – haar Waalse evenknie – veracht omdat Walen geen echte Belgen zouden zijn; de wrange ironie van het fascisme.

Geestelijken worden door Bravo bepaald niet gespaard. Waar het weekblad ooit had toegestemd louter positief te schrijven over de kerk en haar voorgangers, daar voert Bravo een pastoor op als een opportunist die weliswaar tegen de bezetting gekant is, maar de achtervolging van communisten en Joden toejuicht. Op gezette momenten mag deze pastoor zijn dubbele moraal etaleren en in toenemende mate komen Robbedoes en Kwabbernoot er tegen in verzet. In het laatste deel, als de Duitse bezetter is verdreven, dreigt Robbedoes zelfs om hem uit te leveren aan de woedende menigte die zoekt naar slachtoffers om zich te wreken, de pastoor daarmee feitelijk bestempelend als collaborateur.

Wat ook opvalt is de mate van geweld, eveneens vrij ongekend voor een Robbedoes-verhaal. Kwabbernoots woning wordt gebombardeerd, vluchtelingen trekken van de frontlinie de stad in, burgers worden beschoten, er vallen gewonden en op zeker moment wordt er zelfs iemand opgeblazen door een vliegtuigbom. Je ziet de lichaamsdelen nog net niet vliegen, maar dat de man gruwelijk aan zijn eind komt, leidt geen twijfel.

De gruwel neemt toe

Waar het eerste deel nog vooral draait om een bevolking die zich probeert aan te passen aan een bezetter met een afwijkende moraal, daar draait het in De gruwel neemt toe om overleven. De winter treed in, de voorraden zijn schaars, de Duitsers eisen het voedsel op of stelen het simpelweg en wat er overblijft gaat op de bon. De economie zit in het slop en banen zijn er nauwelijks. Robbedoes en Kwabbernoot doen alles om te overleven en worden uiteindelijk poppenspelers – een hommage aan het poppentheater van Jean Doisy, hoofdredacteur van Spirou van 1938 tot 1955. Dat poppentheater wordt op zeker moment ingezet als dekmantel voor verzetswerk, iets wat de oplettende lezer al snel vermoedt, maar dat voor Robbedoes lange tijd verborgen zal blijven. Leuk is wel dat het ook voor de lezer lang onduidelijk blijft wat er nu precies gebeurt. Pas in het derde deel wordt het werk van het verzet uit de doeken gedaan. Het stimuleert de lezer terug te bladeren en de laatste puzzelstukjes op zijn plek te leggen.

Vanaf dit deel wordt ook de rol van de buurtkinderen groter. Voor kinderen is iedereen min of meer hetzelfde. Ze zijn zich niet bewust van politieke en maatschappelijke agenda’s en reageren impulsief en soms ook bikkelhard. Dat blijkt bijvoorbeeld als de vader van Robert wordt opgepakt omdat hij communist is. De kinderen wisten helemaal dat een communist anders was dan anderen. Het gebeurt nog een keer als Lowietje en Suzanne ineens een davidsster moeten dragen. Ze wisten niet eens dat ze Joods zijn. Als ze echter ruzie krijgen met een van de andere kinderen, haalt deze zijn gram door genoegzaam te wijzen op het bord dat Joden de toegang tot het park ontzegt. Hij is niet antisemitisch, alleen maar boos, en hij overziet volstrekt niet wat de consequenties zijn voor zijn vriendjes anders had hij het natuurlijk niet gedaan. Zo spiegelen de kinderen keer op keer de groeiende complexiteit en ambivalentie van de wereld van de volwassenen en het geeft Bravo de kans om Robbedoes te laten waarschuwen tegen het klakkeloos overnemen van propagandaretoriek.

Nu de Duitsers met steeds hardere hand regeren, lopen Robbedoes en Kwabbernoot ook tegen de grenzen aan van hun heldendom. Waar ze in deel één vaak nog genoeg hadden aan bravoure om een situatie naar hun hand te zetten, daar lukt dat in deel twee duidelijk niet meer. Als Robert ze vraagt om zijn vader te bevrijden, zegt Robbedoes dat ze dat weliswaar doen in hun poppenspel, maar ”in het echte leven is dat niet zo makkelijk.” De onverschrokken helden die in al hun andere albums niet zouden aarzelen om in actie te komen, moeten hier hun meerdere erkennen in de Duitse bezetter.

Het begin van het einde

Aan het einde van deel twee leert Robbedoes van de gruwelen aan het Oostfront en het lot dat de Joden beschoren is in de kampen. Niet in alle gruwelijke details (die kennis zou immers pas veel later bekend worden), maar wel voldoende om alles op alles te zetten om de kinderen Lowietje en Suzanne te redden van deportatie naar Auschwitz. Het tekent de kwaliteit van de serie en illustreert de intentie van Bravo, dat zelfs in deze situatie – die voor de moderne lezer om leven en dood gaat – discussie ontstaat of ontsnappen nu wel zo’n goed idee is. Eén van de aanwezigen is een Joodse man, die voorheen in Polen heeft gewoond. Hij gaat er prat op dat Joden het daar in het verleden zo slecht hebben gehad, dat de huidige omstandigheden, inclusief de deportaties, een peulenschil zijn. In plaats van in verzet te komen tegen zijn lot, of zelfs maar te klagen over de behandeling van de Duitsers, is hij trots op al het leed dat hij stilzwijgend kan verdragen. Het is dan ook geen wonder dat hij kwaad wordt als Robbedoes en de kinderen proberen te ontsnappen, overtuigd als hij is dat het uiteindelijk allemaal wel mee zal vallen, dat het leven in Auschwitz hooguit een belangrijke levensles zal vormen en dat uit een rijdende trein springen geen geschikte oplossing is want veel te gevaarlijk.

Het zet de toon voor het derde deel, Het begin van het einde, waarin Robbedoes en Kwabbernoot niet langer aan de zijlijn blijven staan, maar zich actief gaan verzetten tegen de bezetter. Van oplettende burgers die zich gedeisd proberen te houden in de hoop de oorlog ongeschonden te overleven, veranderen ze in verzetsstrijders tegen wil en dank, die niet langer werkeloos willen toekijken hoe hun vrienden – maar ook anderen – het leven onmogelijk wordt gemaakt. In dit deel ontpoppen ze zich als de helden die we kennen en verrichten ze verzetsdaden zoals je die kent uit boeken en films.

Het Joodse kunstenaarsechtpaar Felix en Felka verhuizen van hun appartement naar een verborgen vliering, collaborateurs worden op klaarlichte dag vermoord, we leren van de praktijken in de vernietigingskampen en we ontmoeten leden van het verzet die in de gevangenis hun laatste adem uitblazen na langdurig gefolterd te zijn. Wie tegen dit punt nog steeds dacht dat een album van Robbedoes en Kwabbernoot zich niet zou wagen aan de gruwelijke kanten van een oorlog is na dit deel definitief genezen. Het begin van het einde neemt haar publiek serieus, jong of oud, en windt er geen doekjes om: oorlog is een smerige zaak.

Het gaat zelfs zover dat Kwabbernoot een opdracht accepteert om een spoorbrug op te blazen en zo een transport van tanks te verhinderen. Als de trein straks in de afgrond stort, zullen er onvermijdelijk ook een hoop Duitse soldaten de dood ingejaagd worden. Iets wat voorheen volstrekt ondenkbaar was in een Robbedoes-album.

Het einde, maar ook een nieuw begin

Het is dan ook niet helemaal onverwacht dat Robbedoes hier een streep trekt. Hij wil niet langer aan dit soort praktijken meewerken, nazi’s of niet. Maar het wordt nog erger als blijkt dat de Duitsers het schema hebben omgegooid. Een trein vol Joodse gevangenen krijgt voorrang en zal als eerste over de brug passeren. Kwabbernoot, die niet genoeg informatie heeft gekregen om de treinen van elkaar te onderscheiden, moet gestopt worden. Robbedoes gebruikt dit voorval om Kwabbernoot ervan te overtuigen dat een aanslag waarbij mensen moedwillig worden gedood, zonder uitzondering moreel verwerpelijk is. Waar Robbedoes voorheen misschien nog beticht kon worden van naïviteit, ontpopt hij zich hier definitief als overtuigd pacifist. Hij zal dit album vaker ingrijpen en pacifisme bepleiten.

Het lijkt er sterk op dat Bravo hiermee zijn eigen mening verkondigt. In het derde deel zegt Robbedoes immers al eens zonder echte aanleiding: “Ooit komt er een dag dat er niet meer gedood wordt. Zelfs niet om te eten. Geen varkens en geen ander vlees.” In het verlengde hiervan zien we hoe Robbedoes, als de oorlog eenmaal voorbij is en er wordt nagedacht over hoe het verder moet, geprezen wordt om zijn inspanningen om mensen te helpen tijdens de oorlog. Daarop worden zijn daden kort opgesomd en juist als de lezer bij zichzelf denkt, “het is inderdaad niet mis”, roept een soldaat dat deze humanitaire acties helemaal geen heldendaden zijn. Een brug opblazen, dat is pas het echte werk! Onderscheidingen worden duidelijk alleen maar toegekend voor spectaculaire acties met wapengekletter en dodelijke slachtoffers. Opnieuw een duidelijke sneer van Bravo naar de scheve verhoudingen in onze wereld.

Als de geallieerden eenmaal binnenvallen ontstaat er een behoorlijke chaos. Veel burgers gaan de straat op om eigen rechter te spelen. Frustraties die lang zijn opgekropt vinden eindelijk een uitweg. We kennen allemaal de beelden van de kaalgeschoren zogeheten ‘moffenhoeren’ en voelen daarbij mogelijk enig begrip voor de wraakacties van de zo lang geplaagde burgers, maar Bravo betoogd dat het ook in deze situatie zaak is het hoofd koel te houden. Een woedende menigte jaagt de commissaris voor zich uit, aangejaagd door zijn ondergeschikten die hem uitmaken voor collaborateur. Maar de agenten zijn geen onbekenden voor Robbedoes en Kwabbernoot. Zij herkennen in de commissaris de persoon die hen en anderen meermaals geholpen heeft, terwijl de agenten zich juist hebben laten kennen als nauwelijks verhulde fascisten die naar de pijpen van de Duitsers dansten. Een duidelijk pleidooi om kritisch te blijven denken en niet klakkeloos je woede bot te vieren door achter de grootste schreeuwers aan te marcheren.

Bravo maakt de frontlinie in deze situatie fluïde, zoals dat ook het geval was bij aanvang van de oorlog. Terwijl de ene legermacht zich terugtrekt en de andere juist oprukt, verschuiven de grenslijnen voortdurend en lopen overal individuen rond die tot wanhoopsacties in staat zijn. Een uiterst onvoorspelbare en gevaarlijke situatie. Dat blijkt letterlijk uit het spel van de kinderen. In de voorgaande delen zagen we al dat ze oorlogje speelden, daarmee het gedrag van de volwassenen om hen heen kopiërend. Maar in dit deel rapen ze ook het achtergebleven wapentuig op om hun spel nog realistischer te maken, ervan overtuigd dat het allemaal niet langer functioneert en zich onbewust van het gevaar.

Een uniek verhaal

Bovenstaande is slechts een overzicht in vogelvlucht. Een overzicht dat natuurlijk gedoemd is te falen, aangezien Bravo de nadruk heeft gelegd op het dagelijks leven van doorsnee burgers en om dat treffend te illustreren is het belangrijk om je niet alleen te richten op grote gebaren, maar juist op de kleine, triviale dingen die je doorgaans zo snel over het hoofd ziet. Juist dat maakt van Robbedoes: Hoop in bange dagen niet alleen een uniek Robbedoes-verhaal, maar ook een uniek oorlogsverhaal, waarin de oorlog in al zijn alledaagse facetten op een voortreffelijke manier wordt neergezet, met een ongekend oog voor detail.

De serie zit vol met die details: de kinderen die in hun eigen wereld leven en toch niet ontkomen aan de oorlog, de vele fietstochten die Robbedoes en Kwabbernoot ondernemen, de kou die ze trotseren binnen- en buitenshuis, een huis dat overigens steeds leger wordt, eten dat steeds schaarser is, de noodzaak steeds meer te improviseren om het hoofd boven water te houden, de vrienden die ze maken, de jonge vrouwen waar ze op verliefd worden, het groeiende onderlinge wantrouwen, de vele kleurrijke personages die allemaal op hun eigen manier de oorlog beleven, de verwijzingen naar historische personages en gebeurtenissen… Al deze dingen en nog veel en veel meer verrijken het verhaal en maken van deze serie zo’n feest om te (her)lezen.