Nieuwsbrief

Strips

Romeo en Julia in negentiende-eeuws Parijs: Yslaire is weer in zijn element

Bernard Yslaire is niet vies van een beetje pathos in zijn strips. De serie Samber waarmee hij doorbrak, bezwijkt bijna onder de zwaar aangezette romantiek en de dramatisch gesticulerende personages. Maar Samber speelt dan ook in het Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw, een tijdperk waarin pathos voor sommigen bijna een levensdoel was. Zoals voor les poètes maudits, een groep kunstenaars die van ongelukkig zijn een kunstvorm maakten. Spleen was hip, voor wie het zich kon veroorloven dan. Zoals de uit welgestelde kringen afkomstige dichter Charles Baudelaire, de bekendste voorman van die stroming wiens beroemdste bundel Les fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) nog steeds gelezen wordt.

Dit jaar wordt in Frankrijk, waar ze nog steeds dwepen met Baudelaires gedichten, zijn tweehonderdste geboortedag gevierd. Het is niet gek dat uitgerekend Yslaire een stripbiografie heeft gemaakt over de dichter en schrijver die nog altijd zo tot de verbeelding spreekt. Maar Yslaire zou Yslaire niet zijn als hij het levensverhaal van de sombere tobber niet zou doorspekken met een Romeo en Julia-motief over onmogelijke liefde, zoals hij dat ook deed in Samber of het tweeluik De hemel boven Brussel.

En Yslaire laat meer motieven terugkeren die we kennen uit zijn andere werk, zoals de engel die we al direct in de openingsscène zien en die we kennen uit zijn meesterwerk XXe ciel.com (later gebundeld onder de titel Eva’s gesternte). We zien Baudelaire de liefde bedrijven met een vrouw aan wie hij het gedicht La chevelure voordraagt. Kenners van het oeuvre weten dat de vrouw dan niemand anders kan zijn dan Jeanne Duval, een van de muzen van Baudelaire voor wie hij dit gedicht schreef. Yslaire kiest ervoor het levensverhaal van de dichter door haar te laten vertellen. Een gewaagde keuze, want over Duval (we weten niet eens zeker of dat haar echte naam was) is hoegenaamd niets bekend. Maar we weten uit Baudelaires nagelaten geschriften en van getuigen uit zijn omgeving, zoals de beroemde fotograaf Nadar, dat hij zijn hele leven een grote passie heeft gevoeld voor een vrouw die waarschijnlijk half-Frans, half-Haïtiaans was. In die tijd leidde een relatie met een kleurlinge nog tot een schandaal, reden waarom we mogelijk zo weinig weten over Jeanne Duval (of Lemer zoals ze in sommige bronnen ook wel wordt genoemd). Wel weten we uit schetsen die Baudelaire bij zijn gedichten maakte en uit een schilderij van Edouard Manet (getiteld Baudelaire’s maîtresse) hoe ze er ongeveer uit moet hebben gezien.

In Juffrouw Baudelaire (Duval zou altijd ongetrouwd blijven) wordt Baudelaire niet opgehemeld, integendeel. Yslaire zet hem neer als een verwende dandy, verslaafd aan opiaten (en absint weten we uit andere bronnen), die zijn erfenis er door heen jaagt in bordelen en syfilis oploopt. Duval is niet alleen zijn engelachtige muze, zij is tevens de demon die Baudelaire in zijn dromen achtervolgt. Zijn pogingen om haar te vergeten, zijn telkens tevergeefs.

Hoewel Yslaire de levensloop van Baudelaire vrij feitelijk weergeeft, is die van Duval volledig verzonnen. Dat moet ook wel, want we weten weinig over haar. We weten zelfs niet helemaal zeker of ze de beroemde dichter wel heeft overleefd, al beweerde Nadar dat hij haar drie jaar na Baudelaires dood nog gezien heeft terwijl ze op krukken liep. Dat zij degene is geweest die Baudelaires gedichten aan het papier toevertrouwde, is dan ook een gewaagde gok van Yslaire. Maar in het boek draait het dan ook niet alleen om historische accuratesse, het boek is vooral ook een verhaal over een gedoemde liefde tussen twee personen die niet met en niet zonder elkaar kunnen leven.

Het resultaat is geslaagd, al mist het de originaliteit van XXe Ciel.com of De hemel boven het Louvre. Daarvoor tapt Yslaire net te veel uit het vaatje dat hij al gebruikte voor eerder albums. Daarnaast is zijn tekenwerk in Juffrouw Baudelaire soms onevenwichtig. Schitterende pagina’s waarin hij zich uitleeft om de demonen die Baudelaire kwellen op papier te zetten, worden afgewisseld met haastig afgeraffelde pagina’s waar de personages hier en daar anatomisch niet goed in elkaar zitten of die soms door een assistent lijken te zijn afgemaakt. Jammer, want we weten uit andere albums hoe secuur Yslaire te werk kan gaan.

De lezer moet ook even wennen aan het taalgebruik. De vertaler heeft het dwepende taalgebruik van les poètes maudits overgenomen in zinnen die wemelen van Gallisch geronk en nodeloos interessantdoenerij door het gebruik van woorden als areopagus of olfactorisch. Het stokt de voortgang van het verhaal maar heeft in dit geval wel een functie: het ondersteunt de sfeer die Yslaire probeert op te roepen met zijn album: de wereld van negentiende-eeuwse dramaqueens die zich afkeerden van de ‘burgerlijke’ maatschappij maar zelf niet in staat waren ergens echt van te genieten.

Juffrouw Baudelaire is dan misschien niet Yslaire’s beste album, het is wel een heel goed album. De echte hoofdpersoon in zijn biografie is niet Baudelaire zelf maar Duval, een vrouw die moet zien te overleven in een haar vijandige wereld en die zich niet schaamt dat ze via prostitutie wél de kost kan verdienen (iets waar haar minnaar jarenlang niet toe in staat is terwijl hij wel neerkijkt op anderen).  Yslaire schetst een personage met sterke en zwakke kanten. Hoewel haar levensloop verzonnen is, is die volkomen geloofwaardig op papier gezet. Vakwerk van de auteur.

Leuk feitje nog voor de liefhebber: de afscheidsbrief die Baudelaire schreef bij zijn mislukte zelfmoordpoging en die aan het einde van het album wordt geciteerd, is drie jaar geleden voor een recordbedrag geveild in Parijs. Hij bracht 234 duizend euro op, drie keer meer dan geschat. Het geeft aan hoe populair Baudelaire nog is in Frankrijk. Maar ook voor wie geen Baudelaire-adapt is, is Juffrouw Baudelaire een avond heerlijk zwelgen in emoties.

Yslaire – Juffrouw Baudelaire. Dupuis. 160 pagina’s hardcover. € 34,99