Nieuwsbrief

Strips

Jan Smet gunt ons een blik achter de zwarte balken, fouten grappen en pikante taboes

Op het achterplat van Duizend bommen en castraten worden de deuren alvast geopend: Censuur is van alle tijden en van alle plaatsen. Altijd en overal, en in alle vormen van kunst en entertainment, zijn er dingen die niet mogen. En ja, in de wereld van het beeldverhaal is dat niet anders. Goed dat iemand dat eens zegt. In dit geval stripconnaisseur Jan Smet.

Het om meerdere redenen reusachtige boekwerk Duizend bommen en castraten is indrukwekkend. Het boek is het levenswerk van Smet (1945) die al meer dan vijftig jaar bezig is met stripcensuur. Smet ging bij de samenstelling van het werk bepaald niet over één nacht ijs. Met een stalen discipline ploegde hij zich door talloze onderwerpen die ooit ten prooi vielen aan censuur: van vloeken tot seks, van de Holocaust tot drugsgebruik.

Wie met een begrip als censuur aan de slag gaat, doet er goed aan een strak raamwerk op te tuigen. Censuur chronologisch weergeven zou bijvoorbeeld een ratjetoe worden, zo werkt het nu eenmaal niet. Dat Smet kiest om per afgebakend onderwerp te werken, is helder en praktisch. Bijkomend voordeel is dat de lezer het boek niet per se van voor naar achter hoeft door te werken, maar zijn of haar onderwerpen kan kiezen.

Het geschiedkundige hoofdstuk zet alles in het juiste perspectief en leest een tikkeltje droog, zoals dat hoort. Dat is beslist geen diskwalificatie. Wie geïnteresseerd is in een onderwerp als censuur en de culturele omtrek ervan, die wil geen fratsen en tierlantijnen. Smet levert precies wat gewenst wordt: lezenswaardige stukken die vanwege invalshoek en categorisering op hun plek vallen.

In het historische relaas is er alle ruimte voor een internationale blik, tot over de oceanen, maar in het vervolg focust Smet zich toch meer op de Franco-Belgische stripcultuur, met zo nu en dan een overzees uitstapje – bijvoorbeeld als de onvermijdelijke mafketel Frederic Wertham aan bod komt, de driftige psychiater die in de jaren vijftig stelde dat kinderen crimineel gedrag zouden vertonen als ze strips lazen. De tweedeling Europa en de Verenigde Staten blijft voelbaar in het boek. De verhalen over de Amerikaanse strip zijn met wat meer afstand geschreven; het leest alsof de auteur minder zicht heeft op de context, op de situatie aldaar. Dichterbij huis voelt Smet zich duidelijk meer op zijn gemak en swingt het leeswerk bij tijd en wijle – met mooie vondsten en voorbeelden.

Er is hoe dan ook veel te genieten. Hoogtepunt zijn de hoofdstukken over het voorbeeldige gedrag bij de stripbladen – Kuifje, Robbedoes – en hoe dat gaandeweg steeds wereldser werd. Het pikante hoofdstuk over seks, porno en erotiek daarentegen is voorspelbaarder, in verhaal en beeld.

Wie het een en ander weet over maatschappelijke tendensen, politieke situaties en dergelijke bij ons, kan prima met het boek uit de voeten; veel voorgestelde zaken passen naadloos in hun tijdsgewricht. Het stugge van de jaren veertig en vijftig met af en toe een pikant oe-lalaatje tot de expliciete en gewelddadige jaren zeventig en tachtig, waarin ineens veel meer kon – en vooral moest kunnen. Alles krijgt een plekje.

Toch opmerkelijk dat Smet een jaartje of vier geleden een streep heeft getrokken. Dat is af te lezen aan de bibliografieën – die hij na ieder hoofdstuk plaatst, in plaats van allemaal tegelijk achterin: de geraadpleegde bronnen gaan tot ongeveer 2016. De nieuwste actualiteit, waarin censuur een steeds grotere rol speelt, komt niet aan bod. De huidige discussie over inclusiviteit, cancel culture, genderidentiteit en andere vormen van emancipatie laat hij onbenoemd – terwijl daar toch meer dan genoeg raakvlakken met censuur zijn. Dat er tegenwoordig met name jonge lezers zijn die aanstoot nemen aan veel strips vanwege onverholen vooroordelen en ongewenste stereotyperingen, is niet terug te vinden in Duizend bommen en castraten. Het maakt alsof censuur iets van vroeger is.

Als het bijvoorbeeld over ras gaat, dan komt Kuifje in Afrika weer langs en wordt er stilgestaan bij de klassieke beelden van negers met dikke lippen en de Fransman met zijn baguette. Alsof dat van hetzelfde laken een pak is. Dit maakt het hoofdstuk over politieke correctheid en racisme wel erg braaf en kort door de bocht – nog los van de beperkte omvang van dat deel.

Bijzonder is dan weer wel dat Smet in zijn voorwoord melding maakt van enige vorm van zelfcensuur: “sommige illustraties zouden tegenwoordig, met de toegenomen politieke correctheid, té aanstootgevend kunnen zijn”. Het is een keuze geweest om de precaire huidige tijd met rust te laten, net als onder meer “manga, feminisme en religie”, zoals de auteur het zelf opsomt.

Er is al veel verteld en geschreven over censuur, maar nooit zo uitvoerig als Smet heeft gedaan. Toch gaat het grote deel van zijn vorserwerk nadrukkelijk om de bekende titels en namen. Dus wel de censuur bij Pilote en A Suivre van veertig jaar geleden, maar geen Je suis Charlie; wel Lucky Luke’s grassprietje, maar geen Mohammedcartoons of Gregorius Nekschot. Het is daarmee vooral de historische volledigheid die Smet nastreeft, en minder een aanzet tot reflectie en duiding van de huidige tijd.

De aspirant-lezer moet weten dat het vooral over de geschiedenis van censuur in strips gaat. Smet hangt veel van de anekdotes op aan het taboe dat er ooit was en later werd doorbroken. Die opzet wordt gaandeweg steeds helderder. Maar los daarvan is hier een huzarenstukje afgeleverd: Duizend bommen en castraten is een zeer lezenswaardige pil geworden, die beslist een plek verdient in de kast met secundaire werken. De tweede druk schijnt eraan te komen; het geeft aan dat er nood was aan een fors en gedegen overzichtswerk over censuur in het beeldverhaal. Het toch al indrukwekkende palmares van Smet is in één klap met bijna drie kilo toegenomen. Dat doet niemand hem na.

Jan Smet – Duizend bommen en castraten. Censuur in de strip. Uitgeverij Vrijdag. 572 pagina’s hardcover. € 45,00.